Appellant stelde een verzoek in op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering voor vergoeding van gemaakte kosten in verband met een strafzaak die zonder vervolging werd beëindigd. De rechtbank had appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzoek te laat was ingediend, na de termijn van drie maanden die volgt op de kennisgeving van niet verdere vervolging.
Het hof oordeelt dat de kennisgeving van niet verdere vervolging aan appellant niet is betekend, waardoor de termijn strikt genomen nog niet is aangevangen en de zaak nog niet is geëindigd. Om proceseconomische redenen en gezien het standpunt van het Openbaar Ministerie dat de zaak is geëindigd, verklaart het hof appellant ontvankelijk in zijn verzoek.
Het hof beoordeelt vervolgens de inhoudelijke verzoeken. Het wijst toe de reiskosten voor het bijwonen van de behandeling en kent de volledige gevraagde vergoeding voor kosten van rechtsbijstand toe. Verzoeken tot vergoeding van schade door opsluiting, intimidatie en fysiek geweld, rentevergoeding en kosten voor het indienen en behandelen van het verzoek worden afgewezen omdat deze buiten het toepassingsbereik van artikel 591a Sv vallen of niet zijn gemaakt.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en kent een vergoeding toe van €6.451,41 uit de Rijkskas, gelast de tenuitvoerlegging en beveelt uitbetaling aan appellant.