ECLI:NL:GHARN:2012:BV3446
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verbindendheid artikel 10 lid 1 APV Utrecht inzake gebruik verdovende middelen
Op 12 januari 2012 behandelde het Gerechtshof Arnhem een zaak tegen een verdachte die op 19 augustus 2009 op de Catharijnesingel te Utrecht werd betrapt op het gebruik van harddrugs in het openbaar, wat overlast veroorzaakte. De verdachte was niet verschenen, waarna verstek werd verleend. De advocaat-generaal voerde aan dat artikel 10 lid 1 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Utrecht onverbindend verklaard zou moeten worden wegens strijd met de Opiumwet, verwijzend naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het hof oordeelde echter dat artikel 10 lid 1 APV Pro Utrecht een ander doel dient dan de Opiumwet. De APV richt zich op het handhaven van de openbare orde en het voorkomen van overlast door het gebruik of de voorbereiding van het gebruik van verdovende middelen, terwijl de Opiumwet primair de volksgezondheid beoogt te beschermen. Er is geen juridische overlapping omdat de APV ook de voorbereiding omvat, niet alleen het voltooide delict.
Het bewijs bestond uit een proces-verbaal van een verbalisant die de verdachte betrapte in een groepje harddrugs te gebruiken met een basepijp, wat overlast veroorzaakte. De verdachte werd bewezenverklaard voor medeplegen van overtreding van artikel 10 lid 1 APV Pro Utrecht en veroordeeld tot een geldboete van 130 euro, te vervangen door twee dagen hechtenis bij niet-betaling. Het hof sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten.
Deze uitspraak bevestigt de rechtsgeldigheid van het APV-verbod en benadrukt het verschil in doelstellingen tussen lokale verordeningen en landelijke wetgeving.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van 130 euro wegens overtreding van artikel 10 lid 1 APV Utrecht.