ECLI:NL:GHARN:2012:BV7841
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- W.L. Valk
- Th.C.M. Willemse
- F.J.P. Lock
- ir. H.B.M. Duenk
- mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum
- Rechtspraak.nl
Geen onderpachtovereenkomst tussen vader en zoon na beëindiging vennootschap onder firma
In deze civiele zaak stond centraal of tussen vader en zoon na het beëindigen van hun vennootschap onder firma een onderpachtovereenkomst was gesloten met betrekking tot landbouwpercelen van in totaal 36 hectare. De zoon stelde dat hij het volledige en exclusieve gebruik van de percelen had verkregen om deze naar eigen inzicht te exploiteren. De vader betwistte dit en stelde dat de percelen gezamenlijk werden geëxploiteerd met gelijke zeggenschap.
Het hof oordeelde dat voor het bestaan van een onderpachtovereenkomst vereist is dat de vader het exclusieve gebruik aan de zoon heeft afgestaan, zonder gelijke zeggenschap. De vader had gemotiveerd betwist dat dit het geval was en de zoon had geen bewijs geleverd ter ondersteuning van zijn stelling. Het hof zag geen aanleiding om ambtshalve bewijslevering toe te staan.
Daarom stelde het hof vast dat niet was komen vast te staan dat de zoon het volledige exclusieve gebruik had verkregen en dat er geen onderpachtovereenkomst was gesloten. De vorderingen van de zoon werden afgewezen en het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2011 werd bekrachtigd. De zoon werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees de vorderingen van de zoon af wegens ontbreken van exclusief gebruik en onderpachtovereenkomst.