ECLI:NL:GHARN:2012:BW4009
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geschil over eigendom spaargeld en storting op bankrekening tussen vader en dochter
In deze civiele zaak staat centraal de vraag van wie het bedrag van € 60.400,00 is dat op 3 december 2008 door de dochter op haar eigen bankrekening is gestort. De vader stelt dat het zijn spaargeld betreft dat zonder zijn toestemming door zijn dochter is toegeëigend. De dochter betwist dit en stelt dat het haar eigen spaargeld betreft, afkomstig uit verschillende bronnen zoals de verkoop van juwelen, een schikkingspremie en inkomsten uit verhuur.
De rechtbank heeft in eerste aanleg de vordering van de vader toegewezen. In hoger beroep betwist de dochter dit en voert zij aan dat de vader onvoldoende bewijs heeft geleverd dat het om zijn spaargeld gaat. Het hof stelt dat de bewijslast bij de vader ligt om aan te tonen dat zijn dochter het geld eigenmachtig heeft gestort en dat hij dit bewijs moet leveren, onder meer door het overleggen van het stortingsbewijs en eventueel het horen van getuigen.
Het hof laat het bewijs toe en houdt verdere beslissing aan totdat het bewijs is geleverd. Indien de vader slaagt in zijn bewijs, wordt het vonnis bekrachtigd; bij falen zal het vonnis worden vernietigd en de vordering worden afgewezen. Het hof wijst tevens op de procedurele verplichtingen omtrent het overleggen van stukken en het plannen van getuigenverhoor.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een goede bewijsvoering bij geschillen over eigendom van geld en de toepassing van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro betreffende de bewijslastverdeling.
Uitkomst: Het hof draagt de vader op te bewijzen dat zijn dochter eigenmachtig zijn spaargeld heeft gestort; het bewijs wordt toegelaten en verdere beslissing aangehouden.