ECLI:NL:GHARN:2012:BW8442
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake toepassing nihil-tarief omzetbelasting bij leveringen aan Oekraïne via Duitsland
Belanghebbende, een vennootschap onder firma die handelt in ICT-apparatuur, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd omdat zij het nihil-tarief toepaste op leveringen aan een afnemer in Oekraïne via Duitsland. De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard op grond van het vertrouwensbeginsel, omdat de Inspecteur volgens de rechtbank had toegezegd dat het nihil-tarief terecht was toegepast.
In hoger beroep stelde de Inspecteur dat belanghebbende niet het vereiste bewijs had geleverd dat de goederen daadwerkelijk Duitsland hadden verlaten en naar Oekraïne waren vervoerd. Het hof oordeelde dat de correspondentie tussen partijen niet voldoende was om aan te nemen dat de leveringen als uitvoer konden worden aangemerkt, aangezien Duitsland een lidstaat is en de goederen niet rechtstreeks naar een derde land waren vervoerd.
Het hof stelde dat het bewijs van vervoer naar een andere lidstaat vereist is om het nihil-tarief toe te passen en dat belanghebbende dit bewijs niet heeft geleverd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de Inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat hij zich had neergelegd bij het eerdere vonnis. Het hoger beroep werd daarom gegrond verklaard en het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. De boete bleef buiten geschil, en de heffingsrente werd gehandhaafd.
Het hof sprak geen proceskostenveroordeling uit en wees op de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van het arrest.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt gegrond verklaard en het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs voor toepassing van het nihil-tarief.