ECLI:NL:GHARN:2012:BX0415

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
29 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
P12/0122
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 509oa SvArt. 67 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlenging PIJ-maatregel ondanks lichte termijnoverschrijding

Betrokkene is onderworpen aan een PIJ-maatregel die door de rechtbank Zwolle-Lelystad met twee jaar werd verlengd. De betrokkene en zijn raadsvrouw stelden zich primair op het standpunt dat de vordering tot verlenging niet tijdig was ingediend door het Openbaar Ministerie, waardoor dit niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Subsidiair werd gesteld dat niet aan de wettelijke eisen voor verlenging was voldaan.

Het hof oordeelde dat de vordering weliswaar met een vertraging van zeven dagen was ingediend, maar dat deze vertraging binnen een redelijke termijn viel zoals bedoeld in artikel 509oa Sv en geen afbreuk deed aan enig belang van betrokkene. Het ontvankelijkheidsverweer werd daarom verworpen.

De inhoudelijke beoordeling van de verlenging werd bevestigd, waarbij het hof oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat verlenging noodzakelijk was vanwege het hoge recidivegevaar en het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van betrokkene. Het hof nam tevens kennis van het voorstel tot nader onderzoek in het Pieter Baan Centrum om het behandelbeleid beter af te stemmen op het intelligentieniveau en behandelbaarheid van betrokkene.

De beslissing van de rechtbank werd bevestigd en de maatregel verlengd met twee jaar.

Uitkomst: Het hof bevestigt de verlenging van de PIJ-maatregel met twee jaar ondanks een lichte termijnoverschrijding.

Uitspraak

PIJ P12/0122
Beslissing d.d. 29 mei 2012
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
verblijvende in [verblijfplaats betrokkene].
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 maart 2012, houdende verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van twee jaar.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
-het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
-de beslissing waarvan beroep;
-de akte van beroep van de betrokkene van 19 maart 2012;
-de aanvullende informatie van [verblijfplaats betrokkene] van 10 mei 2012.
Het hof heeft ter terechtzitting van 14 mei 2012 gehoord de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr J.H. Rump, advocaat te Zwolle, en de advocaat-generaal mr M.J.M. van der Mark.
Overwegingen
Het standpunt van de betrokkene en zijn raadsvrouw
Primair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel niet tijdig door de officier van justitie is ingediend, te weten minder dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zou eindigen, en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering tot verlenging.
Subsidiair dient volgens de raadsvrouw de vordering te worden afgewezen, nu niet is voldaan aan de wettelijke eisen voor verlenging van de PIJ-maatregel. Betrokkene vindt dat er geen sprake is van gevaar voor anderen of voor de maatschappij in het algemeen. Hij heeft in de afgelopen jaren voldoende behandeling en begeleiding gehad en wil bewijzen dat hij zich kan handhaven in de samenleving.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Er is weliswaar sprake van een geringe overschrijding van de termijn, bedoeld in artikel 509oa, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, doch de vordering is binnen een redelijke termijn ingediend en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vordering.
De PIJ-maatregel dient, overeenkomstig het advies van de instelling, te worden verlengd met twee jaar. Uit de rapportages van de kliniek blijkt dat het recidivegevaar als hoog wordt ingeschat. Volgens de advocaat-generaal eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de maatregel en is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de betrokkene. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank.
Het oordeel van het hof
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat sprake is van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 509oa van het Wetboek van Strafvordering, dat van overeenkomstige toepassing is verklaard op de onderhavige maatregel, nu de vordering is ingediend voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zou eindigen, de vertraging slechts 7 dagen bedraagt en niet is gesteld of gebleken dat die vertraging afbreuk heeft gedaan aan enig belang van betrokkene. Het ontvankelijkheidverweer wordt verworpen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen te verlengen met een termijn van twee jaar. Daarom zal de beslissing waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd.
Uit de aanvullende informatie van de instelling maakt het hof op dat aan het ministerie is voorgesteld om betrokkene te laten onderzoeken in het Pieter Baan Centrum en het behandelbeleid aan te passen op de conclusie van het onderzoek aldaar. Het hof vindt het een goede gedachte dat het Pieter Baan Centrum nader onderzoek zal verrichten, waarbij er met name aandacht ware te besteden voor de mogelijkheid dat onvoldoende rekening is en wordt gehouden met het (lage) intelligentieniveau en de behandelbaarheid van betrokkene.
Beslissing
Het hof:
Bevestigt de beslissing van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 maart 2012 met betrekking tot de betrokkene [betrokkene].
Aldus gedaan door
mr E.A.K.G. Ruys als voorzitter,
mr E. van der Herberg en mr A.J. Smit als raadsheren,
en dr. W. van Kordelaar en dr. L. Kaiser als raden,
in tegenwoordigheid van mr B.P. Snijder als griffier,
en op 29 mei 2012 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.