ECLI:NL:GHARN:2012:BX1988

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
17 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.054.482/01 eind
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 246 RvArt. 353 lid 1 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Draagplicht voor schuld aan nieuwe partner van ex-echtgenoot

In deze civiele zaak tussen voormalige echtelieden staat de vraag centraal of partijen gezamenlijk draagplichtig zijn voor een schuld aan de nieuwe partner van de ex-echtgenoot. Appellante heeft haar principaal appel ingetrokken, maar verzocht het hof te bepalen dat zij niet draagplichtig is voor een eventuele schuld aan de nieuwe partner.

Het hof oordeelt dat onvoldoende is gesteld dat de gelden door de nieuwe partner als geldlening zijn verstrekt en dat het bewijsaanbod ter zake niet tijdig is gedaan. Ook kan appellante als oorspronkelijk gedaagde geen nieuwe tegenvordering in hoger beroep instellen. Daarom verklaart het hof appellante niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 oktober 2009, waarbij werd geoordeeld dat partijen ieder hun eigen kosten dragen en geen gezamenlijke draagplicht bestaat. Tevens wijst het hof de grieven in het incidenteel appel af en compenseert de kosten in hoger beroep, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitkomst: Appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en het vonnis van 14 oktober 2009 wordt bekrachtigd.

Uitspraak

Arrest d.d. 17 juli 2012
Zaaknummer 200.054.482/01
(zaaknummer rechtbank: 157165 / HA ZA 09-625)
HET GERECHTSHOF TE ARNHEM
Nevenzittingsplaats Leeuwarden
Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. A.C.M. Montessori, kantoorhoudende te Almere,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel,
in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. H.A. Rispens, kantoorhoudende te Almere.
De inhoud van het tussenarrest d.d. 15 november 2011 wordt hier overgenomen.
Het verdere procesverloop
In bovengenoemd tussenarrest is een comparitie van partijen gelast. Op de rol van 13 maart 2012 hebben partijen verklaard af te zien van het verschijnen ter comparitie.
[geïntimeerde] heeft op de rol van 13 maart 2012 doorhaling verzocht van de zaak in incidenteel appel. [appellante] heeft niet met deze doorhaling ingestemd. In overeenstemming met artikel 246 Rv Pro is de zaak in het incidenteel appel niet doorgehaald.
[geïntimeerde] heeft op 27 maart 2012 een akte genomen.
De verdere beoordeling
In het principaal appel
1. Bij rolbericht van 11 juni 2010 heeft [appellante] het hof bericht dat zij het door haar ingestelde principaal appel intrekt. In het op 13 maart 2012 door haar ingediende H16-formulier heeft [appellante] voorts verklaard dat zij er belang bij heeft dat het hof beslist op haar verzoek te bepalen dat zij niet draagplichtig is ten aanzien van een eventuele schuld aan [X].
2. Het hof overweegt dat [appellante] een vordering van die strekking heeft opgenomen in de memorie van antwoord in het incidenteel appel. [appellante] kan als oorspronkelijk gedaagde echter niet voor het eerst in hoger beroep een tegenvordering instellen (artikel 353 lid 1 Rv Pro). Nu daarmee niet een vordering van [appellante] van de genoemde strekking ter beoordeling aan het hof voorligt, moet het hof hieraan voorbijgaan.
3. Het hof zal [appellante] niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.
In het incidenteel appel
4. In hetgeen het hof in rechtsoverweging 13 en volgende heeft overwogen ligt besloten dat het hof de vordering van [geïntimeerde] te bepalen dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de door hem gestelde schuld aan [X] niet toewijsbaar heeft geoordeeld. Het door [geïntimeerde] na het tussenarrest gedane bewijsaanbod geeft het hof geen aanleiding voor een heroverweging van deze beslissing nu ook nu nog geldt dat onvoldoende is gesteld voor de conclusie dat de gelden door [X] ten titel van geldlening zijn verstrekt. Bovendien is dat bewijsaanbod ter zake van de geldlening niet tijdig gedaan.
5. De grieven 1 en 2 in het incidenteel appel falen.
Slotsom
6. Het hof zal [appellante] niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep en het bestreden vonnis van 14 oktober 2009 bekrachtigen, met aanvulling van gronden.
7. Omdat partijen gewezen echtelieden zijn en de onderhavige procedure daaruit voortvloeit, ziet het hof aanleiding om de kosten van het geding ook in hoger beroep te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De beslissing
Het gerechtshof:
In het principaal appel
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep;
In het incidenteel appel
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 oktober 2009, met aanvulling van gronden;
In het principaal appel en in het incidenteel appel
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep zal dragen.
Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, W. Breemhaar en B.J.H. Hofstee en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 17 juli 2012 in bijzijn van de griffier.