Art. 7:366 lid 3 BWArt. 7:376 lid 1 sub a BWArt. 7:312 BWArt. 7:363 BWArt. 7:364 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voortzetting pacht na overlijden pachter en geschil over opvolging
De zaak betreft een pachtovereenkomst tussen appellanten als verpachter en de erven van de overleden pachter [A]. Na het overlijden van [A] op 6 april 2010 zonder echtgenoot of kinderen, willen de erven dat diens broer [C] de pacht voortzet. Appellanten vorderen ontbinding en ontruiming, stellende dat geen sprake is van bedrijfsmatige landbouw en dat de plannen van [C] niet serieus zijn.
In eerste aanleg wees de pachtkamer de vordering tot ontbinding af en wees zij de aanwijzing van [C] als opvolgend pachter toe, vanwege de aanwezigheid van een bedrijfsmatige agrarische bedrijfsvoering en voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering door [C]. Appellanten betwisten dit in hoger beroep en voeren aan dat [C] onvoldoende waarborgen biedt, gezien zijn fulltime baan buiten de landbouw, gebrek aan ervaring, en onrealistische bedrijfsplannen.
Het hof laat appellanten toe te reageren op aanvullende bedrijfsgegevens die de erven hebben ingediend, waaronder jaarrekeningen, facturen en voortgangsrapportages. Het hof houdt verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar een roldatum voor nadere uitlatingen van appellanten. Het arrest is gewezen door vijf rechters en deskundigen en op 4 september 2012 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hof houdt de beslissing aan en verwijst de zaak voor nadere uitlatingen van appellanten over aanvullende stukken.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.089.775
(zaaknummer rechtbank 356476)
arrest van de pachtkamer van 4 september 2012
in de zaak van
1. [appellant] en
2. [appellant],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna: [appellanten] (vrouwelijk enkelvoud),
advocaat: mr. W.M. Bijloo,
tegen:
de gezamenlijke erven van de heer [A], van wie executeur is [B],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
hierna: de erven,
advocaat: mr. S. de Kruijff.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 2 augustus 2011 hier over.
1.2 Het verdere verloop blijkt uit:
- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 25 oktober 2011;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord;
- de akte van [appellanten].
1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2 De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis van 25 mei 2011.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Het gaat in dit geding kort samengevat over het volgende. Met ingang van 2 februari 1990 bestaat tussen (de rechtsvoorganger van) [appellanten] als verpachter en (de rechtsvoorgangers van) de erven als pachter een pachtovereenkomst met betrekking tot percelen landbouwgrond in de [.....]. De pachtovereenkomst is op 1 februari 2008 met zes jaar verlengd tot 1 februari 2014. Vanaf januari 1997 was [A] ([A]) pachter. Op 6 april 2010 is [A] overleden, zonder echtgenoot of kinderen achter te laten. Zijn broers en zusters zijn erfgenaam.
3.2 Na het overlijden van [A] hebben de erven [appellanten] medegedeeld dat zij willen dat [C], een broer van [A], de pacht voortzet. Op 1 november 2010 heeft [appellanten] aan de erven voorgesteld de pacht in der minne te ontbinden.
3.3 In eerste aanleg heeft [appellanten] in conventie ontbinding van de pachtovereenkomst en ontruiming van het gepachte gevorderd. In reconventie hebben de erven gevorderd [C] op de voet van artikel 7:366 lid 3 BWPro aan te wijzen als opvolgend pachter. De pachtkamer heeft geoordeeld dat er sprake is van bedrijfsmatige, agrarische bedrijfsvoering, dat er geen (redelijke) bezwaren tegen [C] bestaan, dat [C] voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering en dat er weliswaar sprake is geweest van enige onderpacht maar dat niet aannemelijk is dat [appellanten] daarvan onkundig was. Op grond van dit alles heeft de pachtkamer in eerste aanleg de vorderingen in conventie afgewezen en de reconventionele vordering toegewezen. [appellanten] is in conventie en reconventie in de proceskosten veroordeeld. Tegen voormelde oordelen richt zich het hoger beroep.
3.4 [appellanten] voert – samengevat en voor zover thans van belang – aan dat in het licht van artikelen 7:376 lid 1 sub a jo. 312 BW, 7:366 jo 363 en 364 BW [C] onvoldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering en dat van een bedrijfsmatige, agrarische bedrijfsvoering geen sprake is. [C], 52 jaren oud, heeft een fulltime dienstbetrekking buiten de landbouw (teeltadviseur bij Agrifirm) met een vast en goed inkomen met pensioenvoorzieningen. Niet aannemelijk is dat [C] die baan zal opgeven voor de exploitatie van 15 ha grond waarmee geen redelijk inkomen kan worden gegenereerd. Investeringen zullen niet plaatsvinden omdat [C] gelet op zijn leeftijd geen financieringen zal kunnen verkrijgen. De bedrijfsplannen van [C] zijn niet realistisch en worden daarnaast niet uitgevoerd. Ervaring met het zelfstandig exploiteren van een agrarische onderneming heeft [C] niet. Bij de plannen van [C] is inbegrepen dat een deel van het pachtareaal zal worden aangewend voor tuinbouw (pioenen en kolen voor de veiling), maar voor tuinbouw is de pachtprijs hoger. Van de gestelde samenwerking met twee andere telers heeft [C] geen stukken overgelegd. Verder beschikt [C] niet over (voldoende) opslagruimte en machines. Het komt erop neer dat [C] aan het hobbyboeren is. Onder randnummer 30 verzoekt [appellanten] het hof te bepalen dat de erven nadere stukken in het geding brengen, kort gezegd bedrijfsgegevens van 2006 tot en met 2011, in- en verkoopfacturen en een overzicht van werktuigen.
3.5 De erven hebben bij memorie van antwoord nieuwe stukken overgelegd. Het betreft onder meer bedrijfsgegevens over de jaren 2010 en 2011 (jaarrekening 2010 en meitellinggegevens), een tijdelijk pachtcontract voor 4,5 ha landbouwgrond, een factuur voor een shovel, schriftelijke verklaringen, een voortgangsrapportage inclusief een weerwoord op de reactie van DLV op het bedrijfsplan van 16 april 2011.
3.6 Omdat [appellanten] op de nieuwe stukken nog niet heeft kunnen reageren, zal het hof haar in de gelegenheid stellen dat bij akte te doen. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
Slotsom
3.7 [appellanten] krijgt de gelegenheid zich bij akte uit te laten over de bij memorie van antwoord ingediende stukken. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
4 De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verwijst de zaak naar de roldatum 2 oktober 2012 voor akte uitlating producties aan de zijde van [appellanten];
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, Th.C.M. Willemse en F.J.P. Lock en de deskundige leden L.L.M. de Lorijn en ir. H.B.M. Duenk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 september 2012.