ECLI:NL:GHARN:2012:BY6190
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwaardering schuldvordering bij ongebruikelijke terbeschikkingstelling en onzakelijke lening
Belanghebbende had zijn aandelen in een bv verkocht aan zijn zoon en vervolgens een lening verstrekt aan die bv, die in financiële problemen verkeerde. De lening viel onder de ongebruikelijke terbeschikkingstellingsregeling van de Wet inkomstenbelasting 2001. Belanghebbende waardeerde de schuldvordering af en wilde dit als negatief resultaat uit overige werkzaamheden verwerken.
De Inspecteur en rechtbank wezen dit af, stellende dat de lening onzakelijk was vanwege het hoge debiteurenrisico en de omstandigheden waaronder de lening was verstrekt. Het Hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de afwaardering niet ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden mag komen. Tevens verwierp het Hof de stelling van belanghebbende dat het verlies als verlies uit aanmerkelijk belang of informele kapitaalstorting kon worden aangemerkt.
Het Hof benadrukte dat het leerstuk van de onzakelijke lening ook geldt voor vorderingen onder de terbeschikkingstellingsregeling, ook als er geen directe aandeelhoudersrelatie is, maar wel een persoonlijke verhouding. De afwijzing van de afwaardering was gebaseerd op het ontbreken van zakelijke voorwaarden en het feit dat een onafhankelijke derde het debiteurenrisico niet zou hebben aanvaard. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwaardering van de schuldvordering wordt niet als verlies uit overige werkzaamheden geaccepteerd.