ECLI:NL:GHARN:2012:BZ0207
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid moeder in hoger beroep tegen DNA-onderzoek in vaderschapsgeschil
In deze zaak stond de vraag centraal of een beschikking van de rechtbank tot het gelasten van een DNA-onderzoek een eindbeslissing vormde waartegen hoger beroep mogelijk was. De bijzonder curator had namens het kind een verzoek ingediend tot het gelasten van een DNA-onderzoek om het biologische vaderschap van de Nederlandse vader vast te stellen, met het oog op ontkenning van het vaderschap van de Colombiaanse vader.
De moeder was het niet eens met deze beschikking en stelde hoger beroep in, met het verzoek de beschikking te vernietigen en het DNA-onderzoek af te wijzen. Het hof oordeelde dat het bevelen van het DNA-onderzoek slechts een tussenbeschikking was en geen einde maakte aan het materiële geschil over het vaderschap. Omdat de moeder geen verlof had gevraagd om tussentijds hoger beroep in te stellen, was zij niet-ontvankelijk.
Het hof verwees naar eerdere jurisprudentie en benadrukte dat het DNA-onderzoek slechts een hulpmiddel is voor de uiteindelijke beslissing over het vaderschap. De moeder werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de beschikking tot DNA-onderzoek.
Uitkomst: De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de beschikking tot DNA-onderzoek.