ECLI:NL:GHARN:2012:BZ7308
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Uitvoering periodiek verrekenbeding en verrekening woningwaarde in huwelijkse voorwaarden
Deze zaak betreft de uitvoering van het periodiek verrekenbeding uit de huwelijkse voorwaarden tussen partijen, met name de vraag in hoeverre de woning van de man tot het te verrekenen vermogen behoort en welke waarde daaraan moet worden toegekend.
De vrouw stelde dat de woning als gemeenschappelijk eigendom moest worden beschouwd, mede vanwege haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek en afgesloten overlijdensrisicoverzekeringen. Het hof verwierp dit en bevestigde dat de woning eigendom van de man bleef, conform de duidelijke huwelijkse voorwaarden. De vrouw had onvoldoende onderbouwd dat zij recht had op een deel van de woningwaarde op grond van dwaling.
Verder werd vastgesteld welke verbouwingskosten tijdens het huwelijk met te verrekenen inkomsten waren betaald. Het hof oordeelde dat slechts een deel van de investeringen een waardevermeerdering van de woning rechtvaardigde en kende de vrouw een nominale vergoeding toe voor haar investeringen. Ook werd geoordeeld dat de man geen gebruiksvergoeding aan de vrouw verschuldigd was voor het gebruik van de woning na de echtscheiding.
Ten slotte stelde het hof dat de waarde van de woning op de peildatum onvoldoende vaststond en gaf partijen gelegenheid om overeenstemming te bereiken over de waarde of een deskundige te benoemen. De zaak werd aangehouden voor nadere stukken en beslissingen.
Uitkomst: Het hof wijst gedeeltelijk toe en bepaalt dat de woning deels tot het te verrekenen vermogen behoort met vergoeding van bepaalde investeringen, terwijl gebruiksvergoeding wordt afgewezen.