ECLI:NL:GHDHA:2013:1823

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2013
Publicatiedatum
23 juni 2013
Zaaknummer
200.100.487-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 249 RvArt. 250 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot betaling van proceskosten na intrekking hoger beroep in civiele zaak

In deze civiele procedure zijn appellanten in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam. Na een comparitie van partijen hebben appellanten hun hoger beroep ingetrokken door middel van een akte ter rolle ex artikel 250 Rv Pro met een bijzondere volmacht.

Het hof concludeert dat appellanten tijdig en rechtsgeldig afstand van instantie hebben gedaan, waardoor het hoger beroep is beëindigd. Op grond van artikel 249, tweede lid, Rv zijn appellanten verplicht de proceskosten van de geïntimeerde, Stichting Ouderenhuisvesting Rotterdam, te vergoeden.

Het hof stelt de proceskosten vast op € 666 aan griffierecht en € 894 aan salaris voor de advocaat. Het bevelschrift tot betaling wordt uitgevaardigd en is uitvoerbaar bij voorraad, conform artikel 250, vierde lid, Rv.

Uitkomst: Appellanten worden bevolen de proceskosten van de Stichting te betalen, vastgesteld op € 1.560.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht
Zaaknummer : 200.100.487/01
Rolnummer rechtbank : 1204147 \ CVEXPL 11-5361

Bevelschrift van 18 juni 2013

inzake

[appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],
[appellante sub 2],
wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna te noemen: [appellanten],
advocaat: mr. J.C. Hardam te Rotterdam,
tegen

Stichting Ouderenhuisvesting Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerde,
hierna te noemen: De Stichting,
advocaat: mr. G.E.M. Gijsberts te Woerden.

Het geding

Bij exploot van 6 januari 2012 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 7 oktober 2011, door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, gewezen tussen partijen. Bij tussenarrest van 22 mei 2012 is een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 2 november 2012. [appellanten] hebben vervolgens een memorie van grieven genomen, waarna zij bij akte ter rolle ex artikel 250 Rv Pro van 16 april 2013, met bijgevoegd een bijzondere volmacht van [appellanten], hun hoger beroep hebben ingetrokken. Tenslotte hebben beide partijen een beslissing over de kosten gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.
Het hof leidt uit voormelde gang van zaken af dat [appellanten] tijdig en rechtsgeldig afstand van instantie hebben gedaan, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 249 en 250 Rv. Door het nemen van voormelde akte heeft de afstand haar werking verkregen. Op grond van artikel 249, tweede lid, Rv zijn [appellanten] verplicht de proceskosten in hoger beroep van de Stichting te betalen. Deze proceskosten stelt het hof op € 666,-- aan griffierecht en op 1 punt van het toepasselijke liquidatietarief (wegens de comparitie van partijen). Het hof zal overeenkomstig het verlangen van de Stichting, zoals het hof dit begrijpt, een bevelschrift terzake uitvaardigen, een en ander op grond van artikel 250, vierde lid Rv.

Beslissing

Het hof:
  • beveelt de betaling door [appellanten] aan de Stichting van de door laatstgenoemde in hoger beroep gemaakte proceskosten en stelt deze vast op € 666,-- aan griffierecht en op € 894,-- aan salaris voor de advocaat;
  • verstaat dat deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad is op grond van artikel 250, vierde lid, Rv.
Dit bevelschrift is uitgevaardigd door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, I.M. Davids en J.E.H.M. Pinckaers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2013, in aanwezigheid van de griffier.