Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaak- en rolnummer rechtbank : 326938 / HA ZA 08-4231
Arrest van 3 september 2013
[appellante],
de erven van Hendricus [A],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- i) overboeking door [appellante] van en/of rekening naar haar eigen rekening op 10 september 2007 ad € 30.000,- (prod. 12) – zie ook het slot van r.o. 1.8.;
- ii) overboeking door [appellante] van de en/of rekening naar de rekening van [D] (en vriend van [appellante]) op 10 september 2007 ad € 5.000,- (prod. 12) – zie het slot van r.o. 1.8.;
- iii) een elftal geldopnamen van ING-rekening 1466140 in de periode van 9 mei 2007 tot en met 9 oktober 2007 ad € 9.750,- (prod. 13) – zie r.o. 1.10;
- iv) een vijftal geldopnamen van ING-rekening 66.82.26.145 in de periode van 2 juli 2007 tot en met 9 oktober 2007, in totaal € 23.500,- (prod. 14) – zie eveneens r.o. 1.10;
- v) een overschrijving van een Robeco-rekening van[A] naar een rekening van [appellante] ad € 15.000,- (prod. 15 en 23) -;
- vi) rechtstreeks door [appellante] ontvangen geld van [C] inzake de verkoop van de woning in Den Haag ad € 6.500,- (prod. 17) – zie ook r.o. 1.9.;
- vii) de na het sluiten van de koopovereenkomst zonder valide reden door [appellante] aan koper [C] verleende korting van € 8.500,- (prod 17) – zie r.o. 1.8. en 1.9.;
- viii) een vijftal overboekingen door [appellante] van ING-rekening 1466140 naar de eigen rekening van [appellante] in 2006 (prod 12), in totaal € 31.258,00 (prod 12) – zie wederom r.o. 1.10;
- ix) overboeking door [appellante] van de en/of rekening naar de rekening van haar kleindochter [E], die niet voor[A] heeft gewerkt, op 5 juni 2006 (prod 19) ad € 10.731,75.
wensheeft gehad om een schenking te doen aan [appellante], maar dat niet is bewezen dat[A] heeft toegezegd dat hij een bedrag van € 101.150,- of van € 90.000,- zou schenken. (r.o. 3.9. van het tussenvonnis) en evenmin dat[A] de opbrengst van de verkoop van het huis aan de Van Lansbergenstraat heeft bedoeld te schenken. Aldus kwam de rechtbank ook niet toe aan het tweede deel van de bewijsopdracht, te weten dat geen sprake was van misbruik van omstandigheden. In reconventie heeft de rechtbank als onvoldoende weersproken aangenomen dat door toedoen van [appellante] het in de vordering sub 1) bedoelde bedrag van € 140.239,75 aan het vermogen van[A] is onttrokken en dat daaraan geen schenking of lening aan [appellante] ten grondslag lag. De rechtbank heeft opnieuw een comparitie gelast en, onder verwijzing naar haar eerdere tussenvonnis, [appellante] opgedragen om gegevens en uitleg te verschaffen omtrent de aan zorg en huishoudelijke uitgaven bestede bedragen en daarover opgave te doen. De erven[A] is opgedragen om informatie te verschaffen over de bedragen die het Zorgkantoor in de bewuste periode heeft uitgekeerd als PGB en over het standpunt van het Zorgkantoor over de (tekortschietende) verantwoording van die gelden en de eventuele terugbetaling daarvan.
concreet aanbodheeft gedaan tot
een concrete schenking, te weten van een bedrag van € 101.150,-, althans € 90.000,-, dan wel van de opbrengst van de verkoop van een woning. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de getuigenverklaringen (samengevat in het tussenvonnis van 27 juli 2011 onder 3.6.) daarvoor te weinig specifiek zijn en dat er bovendien aanwijzingen zijn die in andere richting wijzen (overweging 3.9. van voormeld tussenvonnis). Het hof maakt dit oordeel tot het zijne.
“of zoveel minder als de erven uiteindelijk definitief verschuldigd zullen blijken te zijn (….) etc”, zie de formulering aan het begin van deze rechtsoverweging. Tegen deze open formulering is geen klacht gericht, zodat het vonnis ook op dit punt zal worden bekrachtigd.