Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest d.d. 17 december 2013
NCD Nederlandse Cement Deelnemingsmaatschappij B.V.,
Zürich Insurance Public Limited Company,
[geïntimeerde 2] Advocaten,
[geïntimeerde 3],
Het verloop van het geding
Beoordeling van het hoger beroep
f. 1.000.000,-.
f. 376.519,45 is uitgekeerd, dat [motorrijder] inmiddels een andere belangenbehartiger heeft gekozen die de schade stelt op een bedrag van
f.973.081,- en dat, als dit bedrag werkelijk moet worden betaald, het maximum verzekerd bedrag zal worden overschreden. Zürich schrijft verder dat zij meent de directie van een en ander in kennis te moeten stellen, hoewel het niet vast staat dat het gevorderde zal moeten worden betaald, “daar indien onverhoopt het maximum wordt overschreden, de tegenpartij zich ongetwijfeld tot u zal wenden.” In september 1989 heeft Zürich met [motorrijder] een dading gesloten ter afwikkeling van de schade in de periode van 1977 tot augustus 1989. Op 8 oktober 1998 heeft [motorrijder] een vennootschap, genaamd [naam autobestuurder] B.V. en Zürich gedagvaard voor de rechtbank Zwolle en een voorschot op de schadevergoeding gevorderd van
f. 1.500.000,- en zijn schade vanaf 1989 (voorlopig) begroot op een bedrag van
f. 1.195.700,50. Op verzoek van Zürich is [geïntimeerde 3] in deze zaak als advocaat van Zürich en [naam autobestuurder] B.V. opgetreden. Bij vonnis van 22 maart 2000 heeft de rechtbank Zwolle geoordeeld dat het verlies aan inkomen van [motorrijder] vanaf 1 januari 1992 niet meer als gevolg van het ongeval ten laste van Zürich kan worden gebracht. In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem bij arrest van 26 september 2006 het vonnis van de rechtbank Zwolle gedeeltelijk vernietigd en Zürich en [naam autobestuurder] B.V. hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 310.557,79 en [naam autobestuurder] B.V. alleen tot betaling van € 314.363,02, nadat bij het tussenarrest van 9 augustus 2005 al was geoordeeld dat het verlies aan verdienvermogen van [motorrijder] na 1 januari 1992 wel ongevalsgevolg is. Bij brief van 5 oktober 2005 heeft [geïntimeerde 3] de inmiddels door [naam autobestuurder] B.V. ingeschakelde advocaat op de hoogte gesteld van het arrest van het gerechtshof. In 2010 is [naam autobestuurder] B.V. door fusie verdwenen; de verkrijgende vennootschap is NCD.
f1.500.000,- vorderde. [geïntimeerde 3] wist destijds dat de maximaal verzekerde som
f1.000.000,- bedroeg, aangezien hij een verweer met die inhoud heeft gevoerd. Het hof is van oordeel dat het feit dat [geïntimeerde 3] moet hebben beseft dat het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding de maximaal verzekerde som te boven kon gaan, hem had moeten inscherpen dat hij, ook bij een schaderegelingpraktijk waarin de afwikkeling van een WAM-schade aan de WAM-verzekeraar, i.c. Zürich, toekwam, ook de belangen van [naam autobestuurder] B.V. moest bewaken. Die zorgplicht bracht mee dat hij met [naam autobestuurder] B.V. overleg diende te plegen over haar standpunten en dat hij diende te onderzoeken of er verweren waren die [naam autobestuurder] B.V. persoonlijk betroffen. Indien [geïntimeerde 3] dienovereenkomstig contact met [naam autobestuurder] B.V. zou hebben opgenomen, zou een enkel informatief gesprek (het “intakegesprek”), waarbij de dag en het tijdstip van het ongeval aan de orde zouden zijn gekomen, hem op het spoor hebben gezet van de vraagtekens die bij de aansprakelijkheid van [naam autobestuurder] B.V. als werkgever konden worden geplaatst en de logisch daarop volgende vraag wie de werkgever was van [naam autobestuurder] en op wiens naam het kenteken van de door hem bestuurde auto stond, zou hebben onthuld dat [naam autobestuurder] II in 1977 niet bestond. Door dit overleg en dit onderzoek na te laten, heeft [geïntimeerde 3] aan [naam autobestuurder] B.V. de kans ontnomen om een niet-ontvankelijkheidsverweer te voeren en het verweer dat op [naam autobestuurder] B.V. geen aansprakelijkheid rustte, noch als kentekenhouder van de personenauto noch als werkgever. Het hof schat de kans dat een van die verweren zou zijn gehonoreerd, gelet op de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden, waaronder het niet bestaan van [naam autobestuurder] II, het niet aansprakelijk zijn van [naam autobestuurder] (I of II) op grond van art. 31 WVW Pro en de betwistbare werkgeversaansprakelijkheid van [naam autobestuurder] (I of II), op 50%.
f.1.000.000,- overschreed. Daarmee was NCD in elk geval bekend met de schade. Aangezien NCD vervolgens op 26 oktober 2006 Zürich aansprakelijk heeft gesteld en de dagvaarding op 12 januari 2011 is uitgebracht is de verjaringstermijn steeds bijtijds gestuit en de vordering dus niet verjaard op grond van de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW Pro.
f.1.000.000,- .
f.1.000.000,-. Verder blijkt uit het door NCD overgelegde besluit van 17 december 1987, dat het bedrag met ingang van 1 maart 1988 wordt verhoogd naar
f. 2.000.000,-. Gelet op deze feiten is het, zonder nadere onderbouwing - die ontbreekt -, onaannemelijk dat de dekking voor 1980 op een hoger bedrag dan
f.1.000.000,- lag. Derhalve kan in het midden blijven of dit verwijt alleen Zürich of ook [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] regardeert.