ECLI:NL:GHDHA:2013:BY8792

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
22-004636-11
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Flora- en faunawetArt. 4 lid 1 onderdeel b Flora- en faunawet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs in zaak beschermde inheemse diersoorten

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het bezit en de handel in twee beschermde inheemse diersoorten, te weten een oehoe en een sperwer, in de periode maart tot juli 2007. Het hof heeft het hoger beroep behandeld op 4 januari 2013 en heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en de verdediging.

Het hof oordeelt dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de genoemde dieren heeft gekocht, verworven, verkocht, vervoerd of op enige wijze onder zich heeft gehad voor commercieel gewin of anderszins. Hierdoor kan het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 september 2011 niet in stand blijven.

De advocaat-generaal had gevorderd dat het vonnis zou worden vernietigd en dat de verdachte zou worden vrijgesproken. Het hof volgt dit standpunt en spreekt de verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.

Het arrest is uitgesproken op 18 januari 2013 door het gerechtshof Den Haag, waarbij twee van de drie rechters het arrest mede hebben ondertekend. De vrijspraak betekent dat de verdachte niet strafrechtelijk wordt gehouden voor de vermeende overtredingen van de Flora- en faunawet betreffende beschermde inheemse diersoorten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde bezit en handel in beschermde inheemse diersoorten.

Uitspraak

Rolnummer: 22-004636-11
Parketnummer: 10-994538-09
Datum uitspraak: 18 januari 2013
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
economische kamer
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Rotterdam van
20 september 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte[,
geboren te [geboorteplaats op [geboortedatum],
adres: [adres],
thans uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting [penitentiaire inrichting].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 januari 2013.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 2.000,-, subsidiair 30 dagen hechtenis.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1:
hij,
op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 maart 2007 tot en met 12 juli 2007, te [plaats],
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
al dan niet opzettelijk,
een dier, behorende tot een beschermde inheemse diersoort,
als bedoeld in artikel 1 juncto Pro artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Flora- en faunawet en opgenomen in bijlage 2 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten, te weten
een oehoe (Bubo bubo) (met pootring nummer 8 CT 97 Z),
heeft gekocht en/of heeft verworven en/of ten verkoop voorhanden heeft gehad en/of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad;
2:
hij,
op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 maart 2007 tot en met 23 maart 2007, te [plaats],
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
al dan niet opzettelijk,
een dier, behorende tot een beschermde inheemse diersoort,
als bedoeld in artikel 1 juncto Pro artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Flora- en faunawet en opgenomen in bijlage 2 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten, te weten
een sperwer (met pootring nummer 12 Falco Ireland 06 P),
heeft gekocht en/of heeft verworven en/of ten verkoop voorhanden heeft gehad en/of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Borgesius,
mr. G. Dulek-Schermers en mr. M.A. van der Ham, in bijzijn van de griffier mr. L.E.M. Meekenkamp.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 januari 2013.
Mrs. Van der Ham en Meekenkamp zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.