ECLI:NL:GHDHA:2013:BY8792
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- J. Borgesius
- G. Dulek-Schermers
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs in zaak beschermde inheemse diersoorten
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het bezit en de handel in twee beschermde inheemse diersoorten, te weten een oehoe en een sperwer, in de periode maart tot juli 2007. Het hof heeft het hoger beroep behandeld op 4 januari 2013 en heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en de verdediging.
Het hof oordeelt dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de genoemde dieren heeft gekocht, verworven, verkocht, vervoerd of op enige wijze onder zich heeft gehad voor commercieel gewin of anderszins. Hierdoor kan het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 september 2011 niet in stand blijven.
De advocaat-generaal had gevorderd dat het vonnis zou worden vernietigd en dat de verdachte zou worden vrijgesproken. Het hof volgt dit standpunt en spreekt de verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
Het arrest is uitgesproken op 18 januari 2013 door het gerechtshof Den Haag, waarbij twee van de drie rechters het arrest mede hebben ondertekend. De vrijspraak betekent dat de verdachte niet strafrechtelijk wordt gehouden voor de vermeende overtredingen van de Flora- en faunawet betreffende beschermde inheemse diersoorten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde bezit en handel in beschermde inheemse diersoorten.