ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ3589
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen heffing precariobelasting op mantelbuizen vanwege gedoogplicht uit Telecommunicatiewet
Belanghebbende, een erkende aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk, had in de jaren 2002 tot en met 2004 lege HDPE-mantelbuizen en handholes in de gemeentegrond van Rijswijk. De gemeente legde precariobelasting op voor het hebben van deze voorwerpen in de grond. Belanghebbende stelde dat de gemeente op grond van de Telecommunicatiewet een gedoogplicht heeft ten aanzien van deze mantelbuizen, waardoor heffing van precariobelasting niet mogelijk is.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslagen vernietigd. De Inspecteur ging hiertegen in hoger beroep. Het Gerechtshof Den Haag bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hof oordeelde dat mantelbuizen en handholes als beschermingswerken van kabels moeten worden beschouwd onder de Telecommunicatiewet, waardoor de gemeente verplicht is deze te gedogen. Hierdoor is geen plaats voor precariobelastingheffing over deze objecten in de onderhavige tijdvakken.
Daarnaast kon belanghebbende vertrouwen ontlenen aan het instemmingsbesluit van 19 november 2002, waarin de heffing van precariobelasting afhankelijk werd gesteld van het niet tijdig in de buizen blazen van kabels. Het hof wees het hoger beroep van de Inspecteur af en legde griffierecht op aan de Inspecteur.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de aanslagen precariobelasting worden vernietigd.