ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ8215
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens kenbare ambtelijke fout en toepassing 30%-fictie
Belanghebbende, samen met zijn echtgenote ondernemer in transport en grondverzet, kreeg voor 2008 een primitieve aanslag inkomstenbelasting opgelegd van €19.571. Na een boekenonderzoek legde de Inspecteur een navorderingsaanslag op van €25.743. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze navordering.
De kern van het geschil betrof de vraag of de Inspecteur bevoegd was om de navorderingsaanslag op te leggen, nu de primitieve aanslag overeenkomstig de aangifte was vastgesteld zonder correctie voor privé-gebruik van een personenauto. De Inspecteur had een interne werkinstructie niet gevolgd, waardoor de primitieve aanslag onterecht niet werd gecorrigeerd.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van een ambtelijk verzuim, maar geen kenbare ambtelijke fout en wees het beroep ongegrond. Het Gerechtshof stelde vast dat de Inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de fout niet het gevolg was van een bewuste keuze, en dat de te weinig geheven belasting meer dan 30% bedroeg, waardoor de 30%-fictie van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR van toepassing was.
Het Hof verwierp het standpunt van belanghebbende dat navordering niet mogelijk is als de primitieve aanslag overeenkomstig de aangifte is vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De proceskosten werden niet aan een van de partijen opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de navorderingsaanslag en verklaart het hoger beroep ongegrond.