Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Wettekst, parlementaire geschiedenis en relevante jurisprudentie
NTFRheeft Bozia ten aanzien hiervan het volgende opgemerkt:
5.Bespreking van het cassatiemiddel
in feiteis beoordeeld en in dit kader (achteraf bezien) gebleken is van een onjuist inzicht in de feiten en/of het recht, alleen zo een feitelijke (maar onjuist gebleken) beoordeling aan navordering in de weg kan staan. Er is immers ook de normatieve vraag of een bepaalde situatie aanleiding had moeten geven tot beoordeling, gezien de bij de aanslagregeling te betrachten zorgvuldigheid. Ook als een beoordeling ten onrechte achterwege is gebleven, kan dat aan navordering in de weg staan. Dit lijkt mij in casu een belangrijk punt. Waar het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, acht ik die onjuist. [34]
fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften(cursivering toegevoegd, A-G), indien het gevolg daarvan is dat de belastingschuld op een te laag bedrag is vastgesteld’. Onder dit begrip ‘fout’ vallen blijkens de parlementaire geschiedenis en de voornoemde arresten niet door de Inspecteur gemaakte beoordelingsfouten, zijnde fouten ten gevolge van een verwijtbaar onjuist inzicht van de Inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht of van een onjuist inzicht van de Inspecteur in het recht.