ECLI:NL:GHDHA:2013:CA3879
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevordering wegens onrechtmatige aanwijzing Kwaliteitswet zorginstellingen zonder causaal verband
In deze zaak vordert appellant een voorschot van €350.000,- wegens schade door een onrechtmatige aanwijzing van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) onder de Kwaliteitswet zorginstellingen (Kwzi). De aanwijzing werd gepubliceerd en later ingetrokken, maar appellant stelt dat dit heeft geleid tot vertrek van cliënten en het wegblijven van nieuwe cliënten, waardoor hij financiële problemen kreeg.
Het hof stelt vast dat de aanwijzing ex art. 8 Kwzi Pro onrechtmatig was, maar dat IGZ niet onzorgvuldig handelde in het algemeen belang. Wel was de publicatie onzorgvuldig omdat niet werd vermeld dat bezwaar en beroep mogelijk waren. Uit het bewijs blijkt dat het vertrek van cliënten voortkwam uit bestaande klachten over de kwaliteit van zorg, communicatieproblemen en agressief gedrag van appellant, en niet door de aanwijzing van IGZ.
Ook het wegblijven van nieuwe cliënten is onvoldoende aannemelijk gemaakt als gevolg van de handelwijze van IGZ. De Staat heeft geen actieve benadering van cliënten of negatieve adviezen gegeven. Het hof oordeelt dat het causaal verband tussen de onrechtmatige aanwijzing en de gestelde schade ontbreekt, waardoor de vordering wordt afgewezen.
Ten slotte weegt het hof het belang van appellant bij een voorschot af tegen het belang van de Staat om betaling af te wachten tot een bodemprocedure, en concludeert dat het belang van de Staat zwaarder weegt. Het vonnis van de voorzieningenrechter wordt bekrachtigd en appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van causaal verband tussen onrechtmatige aanwijzing en schade.