ECLI:NL:GHDHA:2014:1593
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Walderveen
- Van Dijk
- Grootveld
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding immateriële schade na detentie zonder vermogensschade
De zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing van een verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De erfgename van de overleden verdachte vroeg vergoeding voor de periode dat haar echtgenoot in uitleveringsdetentie en voorlopige hechtenis verbleef. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat de verdachte zich op zijn zwijgrecht had beroepen, wat volgens de rechtbank mede heeft bijgedragen aan de duur van de detentie.
Het hof vernietigde deze beschikking maar kwam op andere gronden tot dezelfde beslissing. Het hof overwoog dat vergoeding op grond van artikel 89 alleen Pro toekomt voor daadwerkelijk geleden vermogensschade of forfaitaire vergoeding van immateriële schade. In deze zaak was geen vermogensschade, zoals gederfde inkomsten, aannemelijk gemaakt. De forfaitaire vergoedingsmaatstaven zijn uitsluitend bedoeld voor immateriële schade en bevatten geen component voor materiële schade.
De advocaat van verzoekster stelde dat het gevorderde bedrag ook vermogensschade omvatte, maar kon dit niet onderbouwen met bewijs zoals loonstroken of arbeidsovereenkomsten. Het hof concludeerde dat het verzoek niet toewijsbaar is omdat immateriële schade niet vergoed kan worden aan erfgenamen en materiële schade niet is aangetoond.
De beschikking van de rechtbank werd vernietigd, maar het verzoek alsnog afgewezen. De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Den Haag op 8 mei 2014.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van schade na detentie wordt afgewezen wegens gebrek aan aannemelijk gemaakte vermogensschade.