In deze strafzaak heeft de verzoekster via haar raadsvrouw een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter-commissaris mr. J.J.J. Schols, die belast was met het verhoren van getuigen in Suriname. Het verzoek betrof vermeende frustratie van de verdediging door het plannen van getuigenverhoren op een datum waarop de raadsvrouw niet aanwezig kon zijn en het beperken van de omvang van het verhoor.
De rechtbank Rotterdam verklaarde zich onbevoegd en verwees de zaak naar het gerechtshof Den Haag. Het hof behandelde het wrakingsverzoek op 21 maart 2014 en concludeerde dat het verzoek niet tijdig was ingediend, aangezien de raadsvrouw al op 31 januari 2014 op de hoogte was van de relevante omstandigheden, maar het verzoek pas op 19 februari 2014 werd ingediend.
Daarnaast oordeelde het hof dat de vermeende gedragingen van de rechter-commissaris geen objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid jegens de verdachte opleverden. Het verzoek werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en afgewezen. De beslissing werd gegeven door drie raadsheren op 4 april 2014.