ECLI:NL:GHDHA:2014:2019
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vonnis wegens ontbreken schriftelijke vertaling dagvaarding en terugverwijzing naar politierechter
In deze strafzaak stond de geldigheid van de inleidende dagvaarding centraal. De verdachte, die de Nederlandse taal niet voldoende machtig was, had geen schriftelijke vertaling of schriftelijke mededeling ontvangen zoals vereist volgens artikel 260, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering. Hoewel de dagvaarding mondeling door een tolk was vertaald, voldeed dit niet aan de wettelijke eisen.
De verdediging stelde dat dit verzuim leidde tot nietigheid van de dagvaarding, maar het hof oordeelde dat het hier niet ging om een formele nietigheid en dat het verzuim hersteld kon worden. Het Openbaar Ministerie diende de gelegenheid te krijgen om alsnog een schriftelijke vertaling of mededeling te verstrekken.
De advocaat-generaal stelde dat de verdachte niet in zijn belangen was geschaad omdat hij de tenlastelegging begreep, maar het hof verwierp dit standpunt vanwege de wettelijke eis van schriftelijkheid en de meerwaarde daarvan boven mondelinge vertaling.
Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en verwees de zaak terug naar de politierechter in Rotterdam met de opdracht om met inachtneming van dit arrest opnieuw recht te doen.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug naar de politierechter voor nieuwe behandeling met schriftelijke vertaling van de dagvaarding.