Belanghebbende, een importeur van gebruikte auto's, deed BPM-aangifte namens de kentekenhouder, die zelf de BPM betaalde. De Inspecteur verklaarde het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een machtiging van de kentekenhouder. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde het Hof deze uitspraken.
Het Hof oordeelde dat volgens de Wet BPM de kentekenhouder belastingplichtig is en dat de importeur slechts namens de kentekenhouder de BPM betaalt. Zonder een volmacht van de kentekenhouder kan de importeur geen zelfstandig bezwaar maken tegen de BPM-voldoening. Het arrest van de Hoge Raad uit 2000 ondersteunt dit niet anders.
Het Hof benadrukte dat het ontbreken van een machtiging een verzuim is dat niet hersteld hoeft te worden en dat de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaarde. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bekrachtigd. Proceskosten worden niet toegewezen.