Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.DE GEMEENTE ’S-GRAVENHAGE,
TRAM KOM V.O.F.,
VAN HATTUM EN BLANKEVOORT B.V.,
BALLAST NEDAM BETON EN WATERBOUW B.V.,
STRUKTON CIVIELE PROJECTEN B.V., tevens h.o.d.n. Strukton Betonbouw B.V.,
1.RANDSTAD NEDERLAND B.V.,
DIEMERMERE BEHEER B.V.,
in de eerste plaatstegen de conclusie van de rechtbank dat de wateroverlast die aan de vordering van Randstad c.s. ten grondslag ligt, is veroorzaakt door de onder overdruk uitgevoerde bouwwerkzaamheden aan de tramtunnel. Zij stellen zich op het standpunt dat zij in eerste aanleg voldoende naar voren hebben gebracht om aannemelijk te maken dat dat causaal verband er niet is en dat aannemelijk is dat de natuurlijke fluctuatie van het grondwater de wateroverlast heeft veroorzaakt. Zij wijzen daarbij op een verklaring van een getuige ([getuige]) die pas na het uitbrengen van het deskundigenrapport bekend is geworden. Voorts brengen zij nieuwe rapporten van deskundigen in het geding teneinde aan te tonen dat de wateroverlast in het pand verband houdt met de uitzonderlijk grote hoeveelheid neerslag in de tweede helft van januari 2002 en de eerste helft van februari 2002. Zij wijzen er daarbij op dat bij het pand ook in september 2001 wateroverlast is opgetreden en dat toen ook sprake was van uitzonderlijke neerslag, alsmede dat in februari 2002 de wateroverlast voortduurde nadat de overdruk was beëindigd. Zij brengen voorts naar voren dat Randstad c.s. verzuimd hebben bij de verbouwing van het pand in 2000/2001 een permanente bemaling onder de atriumvloer te laten aanbrengen, terwijl dat, gelet op bandbreedte van de natuurlijke fluctuaties in het grondwaterpeil tussen 0,3 en 0,5 m, wel op hun weg had gelegen. Deze ontwerpfout is volgens de Gemeente c.s. aan het licht gekomen door de recordhoogtes aan neerslag in september 2001 en februari 2002. De Gemeente c.s. stellen dat ten gevolge van deze ontwerpfout de fluctuatie van de grondwaterstand heeft geleid tot de litigieuze wateroverlast. Subsidiair brengen de Gemeente c.s. naar voren dat, mocht het hof oordelen dat de verhoging van de luchtdruk bij de aanleg van de tramtunnel wel een causale rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de schade bij Randstad c.s., er in elk geval sprake is van samenwerkende oorzaken. Zij wijzen er voorts op dat uit het Bouwbesluit en de jurisprudentie volgt dat de eigenaar van een gebouw zelf verantwoordelijk is voor de vocht- en waterdichtheid ervan.
In de tweede plaatsgrieven de Gemeente c.s. over de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde schadevergoeding. De Gemeente c.s. brengen naar voren dat ook zonder tramtunnel het aanleggen van een permanente drainage, dan wel het waterdicht maken van de vloer van het atrium en van de aansluitingen daarvan op de kelder sowieso nodig waren, gelet op de kritieke bouwkundige situatie ten opzichte van de grondwaterstand vóór het aanleggen van de tramtunnel, en dat de kosten daarvan dus niet bij de Gemeente c.s. in rekening kunnen worden gebracht. Zij betwisten voorts het oordeel van de rechtbank over de hoogte en de verschuldigdheid van een groot aantal andere schadeposten.
eerste grief in incidenteel appelover de door de door de rechtbank gehanteerde bewijslastverdeling. De rechtbank heeft de bewijslast ter zake van het causaal verband tussen de bouwwerkzaamheden en de schade bij Randstad c.s. gelaten. Volgens Randstad c.s. is de rechtbank daarmee ten onrechte voorbij gegaan aan de omstandigheid dat zij hun vorderingen primair hebben gebaseerd op de artikelen 6:174 BW (opstalaansprakelijkheid) en 6:175 BW (aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen), risicoaansprakelijkheden waarbij het causaal verband in beginsel is gegeven. Daarnaast voeren Randstad c.s. aan dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan hun betoog dat aan het ondergraven van percelen in de bebouwde kom door middel van een gevaarlijke stof als luchtoverdruk wel degelijk specifieke risico’s waren verbonden, die kleefden aan de opstallen van de Gemeente, wat eveneens tot omkering van de bewijslast had moeten leiden. Voorts brengen zij naar voren dat de door hen gepresenteerde feiten en omstandigheden uit oogpunt van redelijkheid en billijkheid tot omkering van de bewijslast hadden moeten leiden. De
tweede grief in incidenteel appelvalt de afwijzing door de rechtbank aan van de vordering van Randstad c.s. tot vergoeding van begeleidingskosten.
25 november 2014om
9:30 uur;
binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen in de maanden november 2014 tot en met januari 2014, opgeeft dan verhinderd te zijn, het hof (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de comparitie zal vaststellen;
binnen veertien dagen na hedenaan de griffie handel van dit hof zullen zenden;
uiterlijk twee weken vóór de comparitiein kopie aan de griffie handel en aan de wederpartij te zenden;