Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 21 oktober 2014
[…] B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“uitsluitend gebruik van de bedrijfswinkelruimte, gelegen op de begane grond van het gebouw, plaatselijk aan te duiden als gemeente Noordwijkerhout […] met vermoedelijke nummering huisnummers […] (…).”
“het appartementsrecht, bedrijvigheid (horeca), plaatselijk bekend als Zeestraat te Noordwijkerhout, kadastraal bekend gemeente Noordwijkerhout, sectie E, nummer 6748 A138”.
rechtmatigewijze de macht over de zaak had verkregen (Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 890). Hoewel in de huidige wettekst de toevoeging “rechtmatig” is verdwenen, moet worden aangenomen dat, wanneer een rechthebbende de zaak op onrechtmatige wijze onder zich krijgt, het retentierecht herleeft wanneer de retentor de zaak vervolgens weer in zijn macht krijgt (HR 8 november 2002, NJ 2002, 623). [H] heeft aangevoerd dat [V] op onrechtmatige wijze de macht over het appartement heeft verkregen omdat hij, voordat de werkzaamheden waren afgerond en terwijl er nog bouwmaterialen aanwezig waren, tijdens de bouwvakvakantie de sloten heeft vervangen. Het hof volgt [H] voorshands in die stelling. Door de sloten te vervangen heeft [V] het [H] immers onmogelijk gemaakt het appartement te betreden en aldus haar werkzaamheden af te ronden. Aangezien het appartement kennelijk nog niet aan [P] was opgeleverd en [H] toegang diende te hebben om aan haar verplichtingen jegens [P] te voldoen en eventuele calamiteiten te bestrijden, stond het [V] niet vrij dit te doen. Dat brengt mee dat [H] op grond van artikel 3:295 BW Pro ook jegens [V] als eigenaar het recht had de sleutels weer op te eisen. Zelfs als [H] onder valse voorwendselen de sleutels van [V] zou hebben verkregen, hetgeen [H] betwist, heeft dat in zoverre dan ook geen betekenis dat zij die sleutels of het appartement ook anderszins van [V] had kunnen opeisen. In ieder geval kan op die grond dan ook niet worden aangenomen dat het retentierecht verloren is gegaan. Grief 2 faalt.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 december 2013;
- wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;
- veroordeelt [V] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [H] tot op heden begroot op € 704,- aan verschotten en (2,5 punt x tarief II=) € 2.235,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening.