Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 23 september 2014
[appellant],
O&A Detachering B.V.,
Het geding
Verdere beoordeling van het hoger beroep
1 maart 2010 tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd.
primairom O&A te veroordelen om aan [appellant] te betalen het netto equivalent van zijn achterstallig salaris c.a. met ingang van 11 maart 2010 tot 1 december 2010, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, en
subsidiairom O&A te veroordelen om aan [appellant] te betalen het netto equivalent van zijn achterstallig salaris c.a. tot 11 maart 2010, een en ander steeds met een proceskostenveroordeling.
in conventie:[appellant] veroordeeld om aan O&A te betalen een bedrag van € 3.271,76 wegens door O&A geleden schade betreffende de verplaatsing van de cabine van de hem ter beschikking gestelde bedrijfsauto, vermeerderd met de wettelijke rente, en het meer of anders gevorderde afgewezen, en
in reconventie:O&A veroordeeld om aan [appellant] te betalen het netto equivalent van zijn achterstallig salaris c.a. (op basis van een salaris van € 421,86 bruto per week) met ingang van 11 maart 2010 tot 11 juni 2010, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 10% en de wettelijke rente, en het meer of anders gevorderde afgewezen. De proceskosten zijn zowel in conventie als in reconventie gecompenseerd.
“tot persistit!Het hof begrijpt uit deze rommelige redactie van de memorie van antwoord dat het de bedoeling is vernietiging van de bestreden vonnissen te vorderen ten aanzien van – samengevat – (i) de afgewezen verklaring voor recht, (ii) de toegewezen loonvordering van [appellant], beide in verband met het hem gegeven ontslag op staande voet, terwijl (iii)
“de vordering inzake vermeend verschuldigd vakantiegeld”afgewezen dient te worden
.
“zich al eerder schuldig [had] gemaakt aan bedreiging richting de werkgever dan wel zijn medewerkers”.Ook de gevolgen van het ontslag op staande voet zouden uitermate beperkt zijn nu [appellant] in maart 2010 dan wel 25 mei 2010 in dienst is getreden bij Zuidgeest Bouw B.V., aldus nog steeds O&A.
Op basis van art. 7:610b BW is de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de 3 voorafgaande maanden aan het ontslag door O&A berekend op 29,75 uren per week. Die berekening is cijfermatig onvoldoende door [appellant] betwist. Het rechtsvermoeden is dus dat de arbeid gemiddeld een omvang had van 29,75 uren per week. Het hof is echter van oordeel dat dit rechtsvermoeden door [appellant] is weerlegd. Hij heeft aan de hand van de laatste loonstrook van 2009 – dat een cumulatief overzicht geeft over het hele jaar 2009 van de gewerkte dagen, salaris etc. – berekend dat hij dat jaar gemiddeld meer dan 40 uren per week heeft gewerkt. Dit is onvoldoende gemotiveerd weersproken door O&A. Naar het oordeel van het hof geeft dat overzicht een beter en representatiever beeld van de gemiddelde omvang van de arbeid kort voor het ontslag, dan de loonstroken van 1 januari 2010 tot en met 11 maart 2010. Die laatste (korte) periode kenmerkt zich door relatief veel afwezigheid wegens ziekte, terwijl er in de weken waarin [appellant] niet ziek was ook regelmatig 40 uren werd gewerkt, en er daarnaast sprake was van een serieuze afname van het beschikbare werk. Om die laatste reden heeft O&A begin maart 2010 gestreefd naar beëindiging op korte termijn van de arbeidsovereenkomst van [appellant] en 4 van zijn collega’s.
Gelet op het voorgaande zal de loonaanspraak van [appellant] worden gebaseerd op een arbeidsomvang van 40 uren per week. In zoverre slagen de principale grieven 13 tot en met 17.
“dat [appellant] sinds mei 2010 een andere dienstbetrekking had en dat [appellant] zich nimmer (volledig) arbeidsgeschikt heeft verklaard terwijl hij dat vanaf mei 2010 kennelijk wel was”.Tegen de feitelijke juistheid van deze punten is niet gegriefd, wel tegen de weging daarvan.
“voor het treffen van rechtsmaatregelen ter zake het nog steeds niet uitbetaalde vakantiegeld over de periode mei 2009 tot 11 juni 2010”en verzoekt het hof die titel
“alsnog”te verstrekken. Het hof begrijpt hieruit dat niet is bedoeld de vordering van [appellant] in hoger beroep te vermeerderen.
De vordering ter zake van “vakantiegeld” van voor het ontslag (11 maart 2010) is niet toewijsbaar. In bedoelde reconventionele vorderingen is daaraan niet gerefereerd. Een dergelijke vordering is in eerste aanleg niet toegelicht, of maar zelfs genoemd. Het petitum in hoger beroep refereert er ook niet aan. In hoger beroep wordt niet meer gesteld dan dat “het vakantiegeld” over genoemde periode niet is betaald, zoals dit in eerste aanleg was gevorderd. Dit is onvoldoende. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een berekening of zelfs maar de opgave van een bedrag. De vakantiebijslag – daar gaat het om bij “vakantiegeld”- gerekend vanaf de ontslagdatum is een emolument, gesteld noch gebleken is dat deze vakantiebijslag, anders dan het (niet betaalde) loon waarover het wordt berekend, wel is betaald. De vakantiebijslag ad 8% over het loon vanaf 11 maart 2010 zal dus worden toegewezen.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt O&A om aan [appellant] te betalen het netto equivalent van zijn achterstallig salaris berekend over de periode van 11 maart 2010 tot 1 december 2010, van € 510,48 bruto per week vermeerderd met 8% vakantiebijslag, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW Pro van 10% en vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt O&A om aan [appellant] terug te betalen al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het vonnis van 16 december 2012 aan O&A heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling door [appellant] tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt O&A in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 384,62 aan verschotten en € 894,-- aan salaris advocaat;
- veroordeelt O&A in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op nihil;
- veroordeelt O&A in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie begroot op € 208,--aan verschotten en € 904,-- aan salaris advocaat;
- veroordeelt O&A in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie begroot op € 1.130,-- aan salaris advocaat;
- wijst voor het overige de vorderingen af.