ECLI:NL:GHDHA:2014:3830
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- E.A. Mink
- L.F.A. Husson
- J.A. van Kempen
- Rechtspraak.nl
Verdeling eenvoudige gemeenschap van woning en gemeenschappelijk krediet na beëindiging samenwoning
De vrouw kwam in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam inzake de verdeling van de eenvoudige gemeenschap, met name de verdeling van de restschuld na verkoop van de woning en de aflossingsvrije kredietschuld bij kredietmaatschappij De IJssel. De vrouw vorderde dat de schulden gelijkelijk bij helfte zouden worden verdeeld, terwijl de man stelde dat de kredietschuld volledig voor rekening van de vrouw moest komen omdat zij na vertrek uit de woning niet bijdroeg aan de schulden.
Het hof oordeelde dat schulden geen goederen zijn en dat bij de verdeling van de gemeenschap ex art. 3:185 BW Pro het uitgangspunt is dat activa en passiva gelijkelijk worden verdeeld. De man kon onvoldoende onderbouwen waarom de vrouw een groter deel van de schulden zou moeten dragen. Omdat de ontbindende voorwaarde voor toedeling van de woning niet was vervuld, moest de woning worden verkocht en de restschuld gelijkelijk worden verdeeld. Ook de schuld aan De IJssel wordt ieder voor de helft toegerekend.
Ten aanzien van de inboedel stelde het hof vast dat de man zich niet kon terugtrekken van zijn eerdere instemming met de toedeling aan de vrouw van bepaalde goederen. De proceskosten werden gecompenseerd. Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de inboedel betrof en stelde de verdeling van de gemeenschap en schulden als hierboven beschreven vast.
Uitkomst: Het hof stelt de verdeling van de eenvoudige gemeenschap vast waarbij schulden en restschuld gelijkelijk worden verdeeld en de inboedel conform eerdere toedeling wordt verdeeld.