Uitspraak
GERECHTSHOF Den Haag
Afdeling Civiel recht
1.Het geding
2.Beoordeling van het hoger beroep
- Te verklaren voor recht dat er op het voormelde notariskantoor in of omstreeks maart 2003 een beroepsfout is gemaakt, waardoor het testament van de erflater niet diens uiterste wil bevatte, één en ander als voormeld, alsmede dat geïntimeerde, ter zake voornoemd jegens appellante, toerekenbaar is te kort geschoten in haar verplichtingen, althans dat door en namens geïntimeerde, ter zake onrechtmatig is gehandeld, althans niet is gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht, als gevolg waarvan appellante, schade heeft geleden, waarvoor geïntimeerde, voornoemd, ten deze aansprakelijk is, terwijl voldoende causaal verband aanwezig is en de overtreden norm de strekking had om het belang van appellante te beschermen;
- De geïntimeerde, te veroordelen om aan appellante, tegen bewijs van kwijting te betalen, voormeld bedrag van € 113.545,42, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2013, althans van de dag van het nemen van deze memorie, tot aan de dag der algehele voldoening, althans de geïntimeerde, in de vrijwaringszaak, zo mogelijk gelijktijdig met het te wijzen arrest in de hoofdzaak te veroordelen om aan appellante, te betalen, al datgene waartoe het hof Den Haag rechtdoende in hoger beroep bij arrest zal besluiten;
- Een bedrag groot € 14.464,37, ter zake van diverse nota`s, zoals hierboven is vermeld op blz. 36 van deze memorie, althans een zodanig bedrag als uw hof zal vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de factuurdatum van deze nota`s, althans 16 januari 2013, de dag van het nemen van voormelde akte, althans de dag van het nemen van deze memorie tot aan die der algehele voldoening;
- Een bedrag groot € 90.094,20 ter zake van gederfd rendement, zoals hierboven is vermeld op blz. 37 van deze memorie, althans een zodanig bedrag als uw hof zal vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 mei 2013, zijnde de dag na die der betaling van genoemd bedrag van € 113.545,42 aan mr. Perquin, de raadsman van Batenburg c.s.;
- Een bedrag groot € 135.134,13, ter zake van de kosten van juridische bijstand van appellante, zoals hierboven is vermeld op blz. 37 van de memorie, althans een zodanig bedrag als uw hof zal vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de factuurdatum, althans vanaf de dag van het nemen van deze memorie tot aan die der algehele voldoening;
- Een bedrag groot € 13.176,96, ter zake van de door appellante gemaakte kosten/gespendeerde uren, althans een zodanig bedrag als uw gerechtshof zal vermenen te behoren, zoals hiervoor omschreven op blz. 37 en 38 van deze memorie, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag dat deze kosten zijn gemaakt/deze uren zijn gespendeerd, althans vanaf de dag van het nemen van deze memorie;
- Een bedrag groot € 10.000,= ter zake van smartengeld, zoals hierboven is vermeld op blz. 38 van deze memorie, vermeerderd met de wettelijke rente daarover sedert de dag van het nemen van deze memorie, tot aan de dag der voldoening, althans een zodanig bedrag als uw hof zal vermenen te behoren;
- Een bedrag groot € 150.157,00 ter zake van kostengeldlening, zoals hierboven is vermeld op blz. 38 van de memorie, althans een zodanig bedrag als uw hof zal vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2013 als voormeld, althans vanaf de dag van het nemen van deze memorie;
- De grieven in het incidenteel appel gegrond te verklaren, het tussenvonnis en het eindvonnis voor zover bestreden te vernietigen, appellante te veroordelen tot terugbetaling aan geïntimeerde van € 57.033,30 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en de vonnissen voor het overige te bekrachtigen;
- Het principaal appel te verwerpen en het vonnis waarvan beroep – voor zover niet in incidenteel beroep bestreden – te bekrachtigen;
- Appellante te veroordelen in de kosten van deze procedure en de kosten van de procedure in eerste aanleg;
- Appellante tevens te veroordelen in de nakosten, volgens het toepasselijke liquidatietarief begroot op een bedrag van € 131,= zonder betekening en, indien en voor zover betekening van het vonnis zal dienen plaats te vinden, vermeerderd met een bedrag van € 68,= vermeerderd met de wettelijke rente over de nakosten vanaf veertien dagen na aanzegging van de nakosten aan appellante tot de dag der voldoening.
Ik herroep alle vroeger door mij gemaakte uiterste wilsbeschikkingen.
Voor het geval ik mocht overlijden voor mijn echtgenote [de weduwe] geboren te [plaatsnaam] op[datum], sluit ik mijn beide kinderen geboren uit mijn eerste huwelijk casu quo hun nakomelingen uit als erfgenamen in mijn nalatenschap en benoem ik mijn echtgenote tot mijn enige erfgename.
.In de inleidende dagvaarding in eerste aanleg heeft appellante gesteld dat geïntimeerde heeft verzuimd om in het testament van erflater op te nemen artikel 4:82 BW Pro. In dat artikel is bepaald:
” Een erflater kan aan een uiterste wilsbeschikking ten behoeve van zijn niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot de voorwaarde verbinden dat de vordering van een legitimaris, voor zover deze ten laste zou komen van de echtgenoot, eerst opeisbaar is na diens overlijden.
- De man heeft een slechte relatie met de beide kinderen uit zijn eerste huwelijk. Hij wil hen uitsluiten als erfgenaam ook hun nakomelingen;
- Hij wil graag eerst een testament op de langstlevende;
- Daarna wil de man voor zijn gedeelte benoemen: twee neven en een nicht. Neef [naam] de executeur.
3.Beslissing
- Eerste aanleg € 2.333,98
- Vastrecht € 683,00
- Salaris advocaat € 7.790,00