ECLI:NL:GHDHA:2014:4605
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- E.J. van Sandick
- P. Kuipers
- J.H.W. de Planque
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake eigendom en schadevergoeding Mercedes na aanrijding
Op 29 juni 2007 raakte een Seat bestuurd door een derde in botsing met een Mercedes bestuurd door appellant, waarbij schade aan de Mercedes ontstond. De kern van het geschil betrof de vraag of appellant als belanghebbende in de zin van de Wet Aansprakelijkheid Motorvoertuigen (WAM) kon worden aangemerkt en daarmee recht had op schadevergoeding van Achmea.
Appellant stelde eigenaar te zijn van de Mercedes, onder meer op grond van feitelijk bezit en registratie als aansprakelijke bestuurder op het kentekenbewijs. Achmea betwistte dit en verwees naar een brief van vader van appellant waarin werd gesteld dat een vennootschap eigenaar was. Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende feiten had gesteld om het eigendom te bewijzen en dat de nadere verklaring van vader onvoldoende overtuigde. Bovendien was de Mercedes nog verzekerd op naam van de vennootschap.
Het hof concludeerde dat appellant niet als rechthebbende in de zin van de WAM kon worden beschouwd en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Rotterdam. Achmea werd niet-ontvankelijk verklaard in haar incidentele appel. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het principale appel, Achmea in de kosten van het incidentele appel.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellant geen recht heeft op schadevergoeding omdat hij geen eigenaar was van de Mercedes ten tijde van de botsing.