Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 21 januari 2014
[verzoeker],
[verweerster],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
kan te allen tijde -niet aan verjaring onderhevig.
Gerechtshof Den Haag
De man en vrouw zijn in 1965 gehuwd in gemeenschap van goederen en in 1983 gescheiden. In het echtscheidingsconvenant van 1983 zijn geen afspraken gemaakt over de verdeling van pensioenrechten. De vrouw vordert in eerste aanleg dat de man informatie verstrekt en medewerking verleent aan de verdeling van de pensioenrechten die hij vóór de scheiding heeft opgebouwd.
De man stelt dat partijen destijds zijn overeengekomen geen aanspraken op elkaars pensioenvoorzieningen te doen en beroept zich op verjaring en redelijkheid en billijkheid. De rechtbank wijst het beroep op verjaring af en oordeelt dat pensioenrechten overgeslagen goederen zijn die nog verdeeld kunnen worden. De rechtbank wijst de vorderingen van de vrouw toe en verwerpt de vordering van de man.
In hoger beroep bevestigt het hof de overwegingen van de rechtbank, wijst het beroep op verjaring af omdat de vordering niet verjaart, en oordeelt dat het beroep op redelijkheid en billijkheid niet slaagt gezien de omstandigheden en het ontbreken van bewijs dat de man niet tot uitkering in staat is. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en compenseert de proceskosten tussen partijen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de man af, waarbij pensioenrechten verdeeld worden volgens het Boon/Van Loon-arrest.