Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 25 maart 2014
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad
A. De bindend adviseurs zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun opdracht, omdat:
3.8.2 Bij de beoordeling van deze klachten wordt vooropgesteld dat in het oordeel van de rechtbank dat de salarisvordering van PwC moet worden toegewezen omdat haar beroep op de exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is, besloten ligt het oordeel dat de exoneratieclausule niet alleen beoogt aansprakelijkheid van de bindend adviseurs jegens de opdrachtgevers uit te sluiten, maar mede ertoe strekt de salarisvordering van de bindend adviseurs te vrijwaren voor verweren ontleend aan eventuele fouten van hen. In hoger beroep heeft [appellante] geen grief gericht tegen deze uitlegging van de exoneratieclausule, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan.
3.5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het geven van opdrachten aan de bindend adviseurs niet bekend was welke partij, [appellante] of [A], de kopende partij van de aandelen - en daarmee in de toekomst: de grootaandeelhouder van de [B] - zou zijn. De beslissing dienaangaande zou in een later stadium worden genomen door de Raad van Commissarissen.