Het hof gaat uit van, en verenigt zich met, hetgeen het hof Amsterdam heeft overwogen en beslist in zijn arrest van 19 oktober 2010 onder 3.5.2 tot en met 3.5.7, 3.6.1 en 3.6.2, nu, voor zover hiertegen cassatieklachten waren gericht, deze door de Hoge Raad zijn verworpen. Deze overwegingen luiden als volgt:
3.5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het geven van opdrachten aan de bindend adviseurs niet bekend was welke partij, [appellante] of [A], de kopende partij van de aandelen - en daarmee in de toekomst: de grootaandeelhouder van de [B] - zou zijn. De beslissing dienaangaande zou in een later stadium worden genomen door de Raad van Commissarissen.
3.5.3. Het hof is van oordeel dat [appellante] terecht heeft betoogd dat dit gegeven - zo moet over en weer redelijkerwijze duidelijk zijn geweest - voor de door (de accountants van) partijen gemaakte keuze om de accountant van de [B] tot de derde bindend adviseur te benoemen van groot belang was. Temeer nu beide partijen hun eigen accountant tot bindend adviseur hadden aangewezen was de onpartijdigheid van de derde te benoemen adviseur essentieel. Juist omdat de derde bindend adviseur niet wist wie de toekomstige grootaandeelhouder (en daarmee - zoals onbetwist door [appellante] is aangevoerd -: zijn ‘broodheer’) zou zijn konden beide partijen rekenen op zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid bij de uitvoering van de opdracht.
3.5.4. Een belangrijk bij de vaststelling van de getaxeerde waarde van de aandelen door de bindend adviseurs op te lossen probleem was dat, indien in de toekomst volledige conversie van de cumprefs zou plaatshebben, dit zou leiden tot een overboeking van de agioreserve van ƒ 25.000.000 ten gunste van de overige (vrije) reserves en daarmee tot een meerwaarde voor de aandeelhouders A van ieder ƒ 6.574.071. Omdat onzeker was of en wanneer de cumprefs in gewone aandelen omgezet zouden worden diende - en hierover bestaat bij alle betrokkenen geen verschil van mening - een naverrekeningsclausule te worden bepaald. Gezien het (zo-even genoemde) grote financiële belang was de opstelling van de naverrekeningsclausule zowel voor [A] als voor [appellante] van essentieel belang.
3.5.5. Ten tijde van de vergadering van aandeelhouders op 12 april 2001 was deze naverrekeningsclausule door de bindend adviseurs nog niet vastgesteld. Dit blijkt onder meer uit de in de procedure overgelegde brief van [betrokkene 3] van 12 april 2001, uit de notulen van deze vergadering (onder meer wordt ter vergadering vastgesteld dat de waardering door de drie accountants nog niet gereed is) en uit de brief van [betrokkene 1] van 7 mei 2001. Uit de notulen blijkt ook dat nadat [betrokkene 3] ter vergadering mededelingen omtrent de waarde van de aandelen had gedaan en had aangekondigd dat nog een naverrekeningsclausule zou worden opgesteld, de Raad van Commissarissen heeft besloten dat partij [appellante] zijn aandelen diende over te dragen en dat derhalve [A] de kopende partij zou zijn.
3.5.6. De conclusie uit het voorgaande moet zijn dat een wezenlijk onderdeel van de uitvoering van de opdracht door de bindend adviseurs is geschied op een moment dat aan [betrokkene 3] als derde bindend adviseur bekend was door wie de aandelen zouden worden overgenomen en (derhalve) wie in de toekomst grootaandeelhouder/zijn (indirecte) opdrachtgever zou zijn. Geheel los van de vraag of deze wetenschap bij het bepalen van zijn oordeel daadwerkelijk enige rol van betekenis heeft gespeeld, moet worden vastgesteld dat ten tijde van het uitbrengen van het bindend advies op 25 april 2001 [betrokkene 3] niet meer voldeed aan (het vereiste van) de onpartijdigheid die partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van opdracht voor ogen heeft gestaan. Dit maakte hem ongeschikt om (verder) als bindend adviseur op te treden. Bij deze stand van zaken hadden de bindend adviseurs na 12 april 2001 ten minste de geheel nieuwe omstandigheid, bestaande uit de bekendheid van de partij die de aandelen zou overnemen, aan de orde moeten stellen en met alle betrokkenen, in ieder geval de beide opdrachtgevers, dienen te overleggen. Dit is niet gebeurd. Integendeel, met volledig buiten toepassing laten van het beginsel van hoor en wederhoor is vervolgens door de bindend adviseurs een naverrekeningsclausule bepaald.
3.5.7. Door de door de rechtbank benoemde deskundige, C.F. Mateijsen RA, die (het hof merkt dit ten overvloede op) met betrekking tot de naverrekeningsclausule concludeerde tot een door de bindend adviseurs in dit opzicht als ‘matig ernstig’ aan te merken fout, is het totale bruto nadeel dat [appellante] als gevolg van deze fout heeft geleden berekend op circa ƒ 4.000.000 en het totale netto nadeel op ƒ 1,8 miljoen. Het hof concludeert dat door [appellante] (zeer) relevant nadeel is geleden.
3.6.1. Naar het oordeel van het hof dient van het onder 3.5 overwogene het rechtsgevolg te zijn dat de overeenkomst door [appellante] terecht is ontbonden en dat, voorzover die ontbinding om juridisch technische redenen geen werking zou hebben (niet geheel duidelijk is of ook partij [A] bij de ontbinding is betrokken), naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de bindend adviseurs (volledige) nakoming door [appellante] vorderen van de betalingsverplichtingen uit hoofde van de verleende opdracht. Het enkele gegeven dat [betrokkene 3] met betrekking tot de vaststelling van de naverrekeningsclausule niet meer de voor zijn taakuitoefening noodzakelijke onpartijdigheid bezat en dat [appellante] als gevolg van het bindend advies ernstig nadeel heeft ondervonden, is daartoe al voldoende. Het hof acht voor het gegeven oordeel te meer grond aanwezig nu, met betrekking tot de vaststelling van de voor de waarde van de aandelen zeer wezenlijke naverrekeningsclausule, ook het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.
3.6.2. Het hof is zich ervan bewust dat het in deze procedure gaat om een zo wel genoemd ‘zuiver bindend advies’ en niet om een in het kader van een geschil tussen partijen te geven beslissing. Op grond van hetgeen onder 3.5.2/3 werd overwogen moet echter worden geoordeeld dat de onpartijdigheid van [betrokkene 3] in de rechtsverhouding tussen partijen zodanig essentieel was dat de drie bindend adviseurs, door het uitbrengen van hun advies zoals zij op 25 april 2001 hebben gedaan, in ernstige mate zijn tekortgeschoten in hun uit de overeenkomst van opdracht voortvloeiende verplichtingen.
In dit verband heeft de Hoge Raad in rov. 3.7.4. (slot) nog opgemerkt:
In de rov. 3.5.6, 3.5.7 en (het slot van) 3.6.1 ligt besloten dat het door [appellante] ondervonden nadeel ten gevolge van de als “matig ernstig” aangemerkte fout in de naverrekeningsclausule, had kunnen worden voorkomen of beperkt indien hoor en wederhoor was toegepast.
Het hof merkt op dat bovenstaande overwegingen weliswaar zijn gegeven in het kader van de beantwoording van de vraag of de bindend adviseurs zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun opdracht, maar de in deze overwegingen vervatte feiten en omstandigheden omtrent het gebrek aan onpartijdigheid van de derde bindend adviseur [betrokkene 3], de schending van het beginsel van hoor en wederhoor met betrekking tot de naverrekeningsclausule, de door de deskundige Mateijsen met betrekking tot de naverrekeningsclausule geconstateerde en door hem als “matig ernstig” gekwalificeerde fout, het gegeven dat deze fout had kunnen worden voorkomen of beperkt indien hoor en wederhoor was toegepast, en het aanzienlijke financiële nadeel dat [appellante] heeft geleden, zijn eveneens (in hoge mate) relevant voor de beantwoording van de vraag of het beroep van de bindend adviseurs op de exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Of het gebrek aan onpartijdigheid van [betrokkene 3] daadwerkelijk van invloed is geweest op de inhoud van het bindend advies, hetgeen PWC betwist, kan in het midden blijven. Ook zonder dat een verband tussen het gemis aan onpartijdigheid en de inhoud van het bindend advies komt vast te staan kan, in het licht van de overige omstandigheden, het beroep op de exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, zoals hierna zal blijken.