ECLI:NL:GHDHA:2014:895
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- M.J. van der Ven
- P.M. Verbeek
- M.H. van Coeverden
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake omvang smartengeld na poging zware mishandeling met voorbedachte rade
In deze zaak stond de omvang van het toe te kennen smartengeld centraal na een poging tot zware mishandeling met voorbedachte rade gepleegd op 25 juli 2012. De appellant, slachtoffer van de mishandeling, had in eerste aanleg een schadevergoeding gevorderd van €3.038,84, waarvan €3.000 aan smartengeld. De rechtbank kende slechts €1.000 smartengeld toe.
Het hof overwoog dat bij de bepaling van immateriële schade rekening moet worden gehouden met de aard en gevolgen van het letsel, de aansprakelijkheid en de opzet of schuld van de dader, alsmede vergelijkbare uitspraken. De appellant had onder meer een hersenschudding, een pinkfractuur met blijvende functieverlies en psychische klachten zoals angst en geprikkeldheid opgelopen, welke niet werden betwist door de geïntimeerde.
Daarnaast speelde mee dat er een langdurige conflictrelatie bestond tussen partijen en dat de mishandeling met opzet en voorbedachte rade was gepleegd. Gezien deze omstandigheden en de ernst van het letsel achtte het hof een smartengeldvergoeding van €2.500 billijk. Het hoger beroep werd daarom deels gegrond verklaard, het eerdere vonnis vernietigd en de schadevergoeding verhoogd. Tevens werd de geïntimeerde veroordeeld in de proceskosten van eerste aanleg en hoger beroep.
Uitkomst: Het hof verhoogt het toegekende smartengeld tot €2.500 en veroordeelt de verdachte in de proceskosten.