ECLI:NL:GHDHA:2015:1041
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen veroordeling voor rijden onder invloed met onvoldoende schriftelijke vertaling dagvaarding
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het rijden onder invloed met een ademalcoholgehalte van 825 microgram per liter, hoger dan de wettelijke limiet van 220 microgram. Tegen deze veroordeling werd hoger beroep ingesteld.
De verdediging stelde dat de inleidende dagvaarding niet schriftelijk in een voor de verdachte begrijpelijke taal was vertaald, zoals vereist volgens artikel 260, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering. Dit zou leiden tot nietigheid van de dagvaarding of tot schorsing van het onderzoek in eerste aanleg.
Het hof oordeelde dat het ontbreken van een schriftelijke vertaling niet automatisch leidt tot nietigheid of schorsing, vooral als de verdachte toch voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn verdediging voor te bereiden. In dit geval was de dagvaarding mondeling vertaald door een tolk, was de zaak eenvoudig van aard, en was de raadsman van de verdachte op de zitting aanwezig en goed geïnformeerd.
Daarom bevestigde het hof het vonnis van de politierechter, waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een geldboete en een ontzegging van de rijbevoegdheid. Het verweer werd verworpen omdat geen concreet nadeel voor de verdachte was aangetoond door het ontbreken van de schriftelijke vertaling.
Uitkomst: Het hof bevestigde de veroordeling tot een geldboete en rijontzegging ondanks het ontbreken van een schriftelijke vertaling van de dagvaarding.