ECLI:NL:GHDHA:2015:1263

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2015
Publicatiedatum
29 mei 2015
Zaaknummer
000152-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 124 SvArt. 512 SvArt. 515 SvArt. 62b Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens orderechtelijke beslissing omtrent filmopnamen tijdens terechtzitting

In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter en raadsheren van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, naar aanleiding van de afwijzing van zijn verzoek om tijdens de terechtzitting filmopnamen te mogen maken. Verzoeker stelde dat deze afwijzing zijn verdediging als mens schaadde.

De wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag heeft het verzoek behandeld en geoordeeld dat de afwijzing van het verzoek tot filmen een ordemaatregel betreft die de voorzitter van het hof op grond van zijn leidinggevende taak tijdens de zitting mag treffen. Deze beslissing valt binnen de redelijke taakuitoefening en is genomen met het oog op handhaving van de orde zoals bedoeld in artikel 124 Sv Pro.

Er is geen sprake van een uitzonderlijke omstandigheid die wijst op vooringenomenheid van de voorzitter of de raadsheren. Ook de openbaarheid van de zitting is door de afwijzing niet aangetast. Het wrakingsverzoek is daarom niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de raadsheren Kortenhorst en De Groot, en afgewezen ten aanzien van voorzitter De Werd.

Voorts is bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken gebaseerd op het maken van film- en/of geluidsopnamen tijdens de zitting niet in behandeling worden genomen. Deze beslissing is genomen op 20 februari 2015 door het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard dan wel afgewezen omdat de afwijzing van filmopnamen een orderechtelijke beslissing betreft binnen redelijke taakuitoefening.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 000152-15
Parketnummer hoofdzaak : 23-004269-13
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken
inzake het mondeling verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats],
[adres],
verzoeker.

Het geding

In de strafzaak tegen verzoeker onder genoemd parketnummer heeft op 30 december 2014 bij het gerechtshof Amsterdam een terechtzitting van de meervoudige strafkamer plaatsgevonden, alwaar mr. M.F.J.M. de Werd, voorzitter, mr. P.C. Kortenhorst en mr. H.W.J. de Groot zitting hadden.
Bij mondeling verzoek heeft de verzoeker op voornoemde zitting een verzoek tot wraking van genoemde voorzitter en raadsheren gedaan.
Bij beslissing tot verwijzing van 20 januari 2015 heeft de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam in het kader van de ‘pilot externe wrakingskamer’ de wrakingszaak op grond van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie ter verdere behandeling verwezen naar de wrakingskamer van dit gerechtshof.
3. De wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag heeft de mondelinge behandeling van het verzoek bepaald op 6 februari 2015. Verzoeker, de raadsheren waarvan de wraking is verzocht, alsmede het Openbaar Ministerie zijn van de behandeling op deze datum op de hoogte gebracht.
4. De voorzitter en de raadsheren hebben in hun gezamenlijke schriftelijke reactie van 27 januari 2015 aangegeven niet in de wraking te berusten en er geen behoefte aan te
hebben om op het verzoek tot wraking te worden gehoord.
5. De wrakingskamer heeft het verzoek op 6 februari 2015 ter openbare terechtzitting behandeld, waar verzoeker is gehoord. Ter terechtzitting van de wrakingskamer heeft de verzoeker een verzoek tot wraking van de wrakingskamer gedaan. Dit verzoek is op 6 februari 2015 door een andere wrakingskamer van dit hof afgewezen, waarna de behandeling van het onderhavige wrakingsverzoek is voortgezet.
De advocaat-generaal, mr. M. van der Horst, heeft zijn standpunt uiteengezet overeenkomstig de door hem overgelegde en in het dossier gevoegde aantekeningen.

Het wrakingsverzoek

6. De voor het verzoek tot wraking aangevoerde grond komt er in de kern weergegeven op neer dat de verzoeker vindt dat hij door de afwijzing van zijn verzoek om ter terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam van 30 december 2014 filmopnamen te mogen maken als mens geschaad is in zijn verdediging.
7. Voorafgaand aan de behandeling van het verzoek door de wrakingskamer hebben mrs. De Werd, Kortenhorst en De Groot in hun schriftelijke reactie het volgende naar voren gebracht:
“De voorzitter van het hof heeft een ordebeslissing genomen en conform de Persrichtlijn niet toegestaan dat de verdachte geluidsopnamen maakte. Noch de voorzitter noch de bijzitters zijn van oordeel daarmee blijk te hebben gegeven niet onpartijdig te zijn of die schijn te hebben gewekt.”
8. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek ongegrond verklaard dient te worden. Daartoe heeft de advocaat-generaal – verkort en zakelijk weergegeven – naar voren gebracht dat de voorzitter van het gerechtshof de leiding van het onderzoek ter terechtzitting heeft en daartoe de nodige bevelen kan geven en dat, indien de voorzitter op goede gronden gebruik maakt van de bevoegdheid om bevelen en ordemaatregelen uit te vaardigen, daarmee door de voorzitter en de andere leden van het hof geen blijk van partijdigheid wordt gegeven. Met het beroep op de Persrichtlijn en de vaststelling dat de verzoeker geen journalist is heeft de voorzitter op goede gronden beslist dat het de verzoeker niet was toegestaan te filmen of geluidopnamen te maken, aldus de advocaat-generaal.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

9. Op grond van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van de
verzoeker elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van
feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen
lijden.
10. Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter uit hoofde van zijn aanstelling te worden
vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een
zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens de verzoeker een
vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees
objectief gerechtvaardigd is.
11. De aangevoerde wrakingsgrond ziet in wezen op een ordemaatregel die ter terechtzitting van 30 december 2014 door de voorzitter van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam is genomen. De voorzitter heeft de leiding van het onderzoek op de terechtzitting en bepaalt ter terechtzitting de regie en de orde. In dat kader kan de voorzitter ordemaatregelen treffen.
Een beslissing als de onderhavige, inhoudende de afwijzing van het verzoek te mogen filmen, dient naar het oordeel van de wrakingskamer te worden aangemerkt als een beslissing die kennelijk is genomen met het oog op de handhaving van de orde in de zin van artikel 124 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Gelet hierop ontvalt de grondslag aan het verwijt dat de overige leden van de meervoudige strafkamer wordt gemaakt. In zoverre wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
12. Naar het oordeel van de wrakingskamer valt de afwijzing van het verzoek te mogen filmen binnen de redelijke taakuitoefening van de voorzitter tot het nemen van beslissingen de orde
van de zitting betreffende.
Niet valt in te zien dat zich door deze beslissing een zodanig uitzonderlijke omstandigheid voordoet dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de voorzitter jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook de openbaarheid van de zitting is door de afwijzing van het verzoek niet in het geding.
13. Ook overigens zijn er naar het oordeel van de wrakingskamer geen feiten en omstandigheden gebleken die een bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin opleveren.
13. Gelet op het bovenstaande dient op het verzoek tot wraking te worden beslist als hieronder weergegeven.
15. Ten slotte: in de voortbouwende ongegronde wrakingsverzoeken gebaseerd op de wens van de verzoeker zelf film- en/of geluidsopnamen van ‘zijn’ zitting te mogen maken ziet het hof aanleiding te bepalen dat een daarop gegrond volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen (artikel 515 Wetboek Pro van Strafvordering).

Beslissing

Het hof:
- verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk ten aanzien van mrs. P.C. Kortenhorst en H.W.J. de Groot;
- wijst het verzoek tot wraking van mr. M.F.J.M. de Werd af;
  • bepaalt dat een volgend verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen indien dat verzoek is gebaseerd op de wens van de verzoeker zelf film- en/of geluidsopnamen van ‘zijn’ zitting te mogen maken;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de verzoeker, genoemde voorzitter en raadsheren en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is op 20 februari 2015 gegeven door mr. J.W. van Rijkom,
mr. M.J. van der Ven en mr. J.A. van Kempen, in aanwezigheid van de griffier
mr. S.N. Keuning.