Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 28 april 2015
GEMEENTE ZEDERIK,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
primair(i) een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst per 31 december 2012 rechtsgeldig is beëindigd door de beëindigingsovereenkomst en (ii) de veroordeling van [appellant] tot ontruiming alsmede (iii) tot betaling van een maandelijkse gebruiksvergoeding en tot afdracht van de inkomsten uit de commerciële zaalhuur, met ingang van 1 januari 2013 tot de datum van ontruiming.
Subsidiairvordert de Gemeente (i) de ontbinding van de huurovereenkomst met onmiddellijke ingang, dit op grond van een huurachterstand en een stelselmatig te late huurbetaling, en (ii) de veroordeling van [appellant] tot ontruiming en (iii) tot tijdige en correcte nakoming van alle verplichtingen op grond van de huurovereenkomst tot aan de dag der ontbinding.
Meer subsidiairvordert de Gemeente dat bij vonnis het tijdstip wordt vastgesteld waarop de huurovereenkomst eindigt (7:295 BW), dit in verband met haar opzeggingsbrief van 3 juni 2013, en dat [appellant] wordt veroordeeld tot ontruiming en tot betaling van een maandelijkse gebruiksvergoeding voor de periode vanaf de beëindiging van de huurovereenkomst tot de feitelijke ontruiming.
Subsidiair en meer subsidiairvordert de Gemeente ook de veroordeling van [appellant] tot betaling van de contractuele boetes en de achterstallige huur/gebruiksvergoeding en
primair, subsidiair en meer subsidiairvordert de Gemeente bovendien de veroordeling van [appellant] tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. Tot slot vordert de Gemeente
voorwaardelijk, te weten voor zover het beroep van [appellant] op vernietiging van de beëindigingsovereenkomst slaagt, vernietiging op grond van dwaling of strijd met artikel 7:293 lid 3 BW Pro van artikel 13 van Pro de huurovereenkomst (waarin de tijdelijk lagere huur tot en met 31 december 2012 is vastgelegd) en veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van ruim € 46.000,- (gelijk aan de verleende tijdelijke huurkorting).
nadatde huurovereenkomst tot stand gekomen is. Hiermee wordt voorkomen dat de huurder in feite wordt gedwongen om bij het aangaan van een huurovereenkomst bij voorbaat in te stemmen met de beëindiging daarvan, omdat hij weet dat als hij weigert daarmee in te stemmen, de huur zelf ook niet door zal gaan. Met de Gemeente is het hof echter van oordeel dat zo’n situatie zich in dit geval niet voordoet, omdat [appellant] op 30 augustus 2012 al verzekerd was van het recht op huurgenot. De huurovereenkomst had op dat moment immers al meer dan tien jaar geduurd en was al twee keer voor bepaalde tijd voortgezet. De overeenkomst van 1 september 2010 expireerde per 1 september 2011 niet automatisch door het enkele verloop van de huurtijd en is evenmin opgezegd (vergelijk 7:300 lid 2 BW), maar in plaats daarvan stilzwijgend voortgezet. Artikel 7:230 BW Pro bepaalt dat in zo’n geval de overeenkomst, ongeacht de tijd waarvoor zij was aangegaan, voor onbepaalde tijd wordt verlengd, tenzij van een andere bedoeling blijkt. Niet (onderbouwd) gesteld of gebleken is dat partijen op 1 september 2011 een andere bedoeling hadden; de Gemeente heeft zelfs expliciet gesteld dat naar haar mening al ruim vóór 30 augustus 2012 sprake was van een overeenkomst voor onbepaalde tijd. De Gemeente heeft dan ook terecht betoogd dat de huurovereenkomst van 30 augustus 2012 niet zozeer nodig was om het recht van [appellant] op huurgenot vast te stellen, maar met name om met terugwerkende kracht een (onverplichte) tijdelijke wijziging van de berekening van de huurprijs vast te leggen. Voor zover [appellant] al gevolgd zou moeten worden in diens stelling dat artikel 7:290 BW Pro op de huurrelatie tussen hem en de Gemeente van toepassing is, leidt dat dus niet tot het door hem gewenste resultaat. Artikel 7:293 lid 3 BW Pro stond niet aan het sluiten van de beëindigingsovereenkomst in de weg.