Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.DE STAAT DER NEDERLANDEN(Ministerie van Financiën),
2.POSTNL PAKKETTEN BENELUX B.V.,
KONINKLIJKE POSTNL B.V.,
met aangepaste tarieven, omdat bij beide niet werd voldaan aan de gestelde eisen. Jij gaf aan dat dit zowel omhoog als omlaag kan zijn, volledig herzien dus. Mijn concrete vraag is:geldt ditookvoor het tarief van perceel 2a (pakketten binnenland) of alleen voor het tarief van perceel 2b (pakketten buitenland)?”
Dit geldt ook voor perceel pakketten binnenland. Inschrijvingen van beide partijen zullen in volle concurrentie opnieuw worden beoordeeld.”
primairde Staat zal gebieden de opdracht van perceel 2 aan JBM te gunnen, althans zal verbieden die opdracht aan een ander te gunnen, en
subsidiairde Staat zal gebieden de aanbestedingsprocedure te staken en gestaakt te houden en de opdracht desgewenst opnieuw aan te besteden, een en ander met dwangsom en kostenveroordeling. De voorzieningenrechter heeft het gevorderde afgewezen op de grond dat de referentie van JBM op 26 augustus 2013 een (gerealiseerde) omzetwaarde vertegenwoordigde van minder dan € 1.300.000,-, zodat JBM niet aan de referentie-eis voldeed.
eerste griefis gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat tussen partijen niet in geschil is dat het toetsmoment voor de vraag of JBM aan de referentie-eis voldoet, het moment van inschrijving door JBM is. JBM brengt naar voren dat het toetsmoment is gelegen in de gunningsfase, dus op het moment waarop na de uiterste inschrijfdatum de inschrijvingen worden geopend. Volgens JBM bestaat daarover tussen partijen wel degelijk een geschil. De
tweede griefklaagt erover dat de voorzieningenrechter het standpunt van JBM heeft verworpen dat zij op 6 september 2013 een gehele nieuwe inschrijving heeft ingediend. JBM meent dat dat onjuist is en wijst daartoe op de in rechtsoverweging 1.4 opgenomen mededeling van de Belastingdienst, inhoudende dat inschrijvingen van beide partijen in volle concurrentie opnieuw zullen worden beoordeeld, en op haar eigen- e-mail, inhoudende dat zij een herziene aanbieding heeft gedaan. Zij stelt dat van eenvoudig herstel van fouten geen sprake kan zijn geweest, omdat ook wijziging is toegestaan van prijzen waarbij geen fouten waren gemaakt. De
derde griefvalt het oordeel van de voorzieningenrechter aan, dat JBM op 6 september 2013 enkel een aangepast prijzenblad heeft ingezonden en dat een nieuwe inschrijving ten minste ook een nieuwe eigen verklaring en een nieuwe aanbiedingsbrief zou moeten bevatten. JBM betoogt dat onduidelijk is waarop de voorzieningenrechter dit baseert en dat dat niet uit de wet of de aanbestedingsstukken volgt. De
vierde griefkeert zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet is gesteld of gebleken dat de sluitingsdatum voor de inschrijvers is gewijzigd. JBM voert aan dat, indien partijen in de gelegenheid worden gesteld op 6 september 2013 een volledige herziene aanbieding te doen, met aangepaste tarieven, daaruit volgt dat de facto de inschrijvingstermijn tot die datum wordt verlengd, en dat dat ook volgt uit het feit dat op die dag de nieuwe aanbieding inhoudelijk is beoordeeld. Met haar
vijfde griefbetwist JBM de overweging van de voorzieningenrechter dat dient te worden bezien of JBM op 26 augustus 2013 voldeed aan de referentie-eis. Volgens JBM hoefde zij pas op 6 september te voldoen aan de referentie-eis. De
zesde griefbetreft het beslissing van de voorzieningenrechter en bouwt op de eerdere grieven voort.
primairde Staat zal gebieden de opdracht alsnog aan JBM te gunnen, althans de Staat zal verbieden de opdracht aan een ander te gunnen, en
subsidiairde Staat zal gebieden de opdracht opnieuw aan te besteden.