Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 21 juli 2015
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
eerste griefbetoogt de Staat dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat “in beginsel” van de rechtmatigheid van de machtiging moet worden uitgegaan. Volgens de Staat is die rechtmatigheid altíjd uitgangspunt en heeft de voorzieningenrechter de juistheid van de verleende machtigingen ten onrechte inhoudelijk getoetst in het kader van de vraag of wel of niet rekening is gehouden met de Lock-aanbevelingen. Subsidiair wijst de Staat erop dat het slechts gaat om
aanbevelingendie niet bindend zijn, zodat justitiabelen, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, reeds om die reden niet erop kunnen vertrouwen dat de kantonrechters de aanbevelingen altijd in acht zullen nemen, nog daargelaten dat de aanbevelingen niet zijn gepubliceerd. Bovendien geldt de 15-dagen aanbeveling slechts voor één zitting, aldus de Staat.
tweede griefbouwt op de eerste voort en is gericht tegen de proceskostenveroordeling.
reguliereinkomsten te hebben (par. 6 memorie van antwoord), hetgeen temeer aanleiding geeft van hem te verwachten inzichtelijk te maken hoe hoog die niet-reguliere inkomsten zijn. Daarbij zij opgemerkt dat de Staat onweersproken heeft gesteld dat hij de gijzeling bij wijze van minnelijke [geïntimeerde] zou hebben beëindigd op het moment dat [geïntimeerde] wèl een uitkering zou hebben aangevraagd en zich op een GBA-adres zou hebben ingeschreven.