Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 17 februari 2015
[appellant],
STICHTING HOGER ONDERWIJS NEDERLAND,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“In ons gesprek van afgelopen donderdag 29 november hebben wij je laten weten dat je de reguliere lessen gewoon kan blijven volgen. Echter, deelname aan bijeenkomsten met de homegroup, waarvan je zelf te kennen hebt gegeven dat je daar niet meer mee kan samenwerken, is uitgesloten. Je kan dus geen bijeenkomsten SLB, Project en Taakgericht Samenwerken volgen.Verder hebben wij afgesproken dat je van ons hoort wanneer wij, nadat wij nadere informatie hebben ingewonnen, een vervolggesprek zullen hebben. Inmiddels is dat duidelijk. Wij nodigen je uit op a.s. donderdag 8 december om 14.45 uur (…) Wij zullen dan ook verder ingaan op de inhoud van de mail die je vanochtend hebt gestuurd.”
“Dat is voor ons echt de enige mogelijkheid voor de komende week, dus dringend.”[appellant] is op de aangezegde datum en tijd verschenen, de Coördinator MWD was echter niet aanwezig.
“niet mogelijk (is) om mee te draaien in het bestaande SLB/projectgroepje”, en dat er uiterlijk aan het einde van de volgende week duidelijkheid zal komen over het vervolg hiervan.
“In verband met de problematische samenwerking tussen jou en andere studenten docenten in Amsterdam, is de mogelijkheid besproken dat je je studie voortzet bij INHolland in Haarlem. (…) Afgesproken is dat je a.s. maandag 6 februari per mail (…) laat weten of je van deze mogelijkheid gebruik wil maken.”
Primair beroept INHolland zich op de formele rechtskracht van de uitspraak van het College van Beroep voor de Examens van 20 december 2012. [appellant] had binnen zes weken na deze uitspraak hoger beroep in kunnen stellen bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs op grond van artikel 7.66 lid 1 WHW. Dit betreft een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Het voorgaande brengt mee dat de civiele rechter ervan moet uitgaan dat aan [appellant] terecht een negatief bindend studieadvies is gegeven en dat hij terecht bij INHolland is uitgeschreven.
Subsidiair betwist INHolland dat zij toerekenbaar tekort is geschoten of onrechtmatig heeft gehandeld. De problemen van [appellant] binnen de homegroepen 4 en 3 waren te wijten aan zijn eigen intolerante opstelling. De studenten van de homegroep die [appellant] vervolgens zelf had gekozen wilden hem niet toelaten. De door INHolland aangedragen alternatieve locaties om de studie voort te zetten bij INHolland te Rotterdam of Haarlem zijn door [appellant] geweigerd.
Wat betreft de door [appellant] gevolgde stage betwist INHolland dat het ging om een goedgekeurde stageplek die voldeed aan de daaraan te stellen eisen. [appellant] is hier gaan werken zonder enig overleg en zonder dat de startdocumenten zijn getekend. INHolland heeft om die reden de stagebeoordeling niet geaccepteerd.
Dat INHolland voor een aantal vakken of onderdelen geen cijfer heeft toegekend komt doordat [appellant] hieraan niet heeft deelgenomen.
Meer subsidiair betwist INHolland dat er sprake is van causaal verband tussen een mogelijk tekortschieten van INHolland en het niet halen van voldoende studiepunten in het eerste studiejaar. De studielast in het eerste studiejaar bedraagt 60 punten, waarvan de student er minimaal 45 moet halen. De problemen van [appellant] hebben uitsluitend plaatsgevonden in het groepsgebonden onderwijs, waarvoor maximaal 29 studiepunten konden worden behaald. De overige 31 punten konden worden behaald in het individuele onderwijs. Van deze 31 punten heeft [appellant] er echter slechts 9 behaald. Ook als hij alle punten van het groepsgebonden onderwijs zou hebben gehaald, dan had hij in totaal nog geen 45 punten gehad zodat hij ook in dat geval de opleiding had moeten verlaten.
Ook het door [appellant] gevorderde bedrag van € 6.594,04 aan schadevergoeding ter compensatie van de door hem opgebouwde studieschuld is toewijsbaar, nu [appellant] onbetwist heeft gesteld dat hij in het kader van de studiefinanciering slechts vier jaar recht heeft op een basisbeurs die wordt kwijtgescholden bij het behalen van de studie. Hierna heeft hij in het kader van de studiefinanciering nog slechts recht op een lening. Doordat hij één studiejaar heeft verloren, zal hij genoodzaakt zijn om in het laatste jaar van zijn studie gebruik te maken van een lening. De schade die hij daardoor lijdt heeft hij onbetwist begroot op voormeld bedrag.
Nu vast staat dat [appellant] in het betreffende studiejaar stage heeft gelopen, terwijl hij deze uren anders – naar hij onbetwist heeft gesteld – had kunnen werken in zijn bijbaan, en hij in zijn nieuwe studie bij de Hogeschool Utrecht deze stage opnieuw heeft moeten doen, is het door hem begrote bedrag van € 2.410,20 aan schadevergoeding ter compensatie van de schade geleden door het gemis aan inkomsten gedurende de stage eveneens toewijsbaar.