Conclusie
advocaat: K. Aantjes
advocaat: J.A.M.A. Sluysmans
1.Inleiding en samenvatting
In het principale cassatieberoep wordt geklaagd over de afwijzing van het hof van het beroep van de oud-studenten op dwaling, een tekortkoming in de nakoming en onrechtmatige daad.
2.Feiten
ERASMUS UNIVERSITY
FINANCIËLE VERPLICHTINGEN PARTTIME MASTER BEDRIJFSKUNDE 2014-2016
□ In drie termijnen van (...), deze vervallen op respectievelijk (...).
□ In vijf termijnen van (...), deze vervallen op respectievelijk (...).
3.Procesverloop
4.Bekostigd en niet-bekostigd onderwijs
lagermag zijn dan het wettelijk vastgestelde collegegeld.
nietzelf bepalen hoe hoog het collegegeld is. Bekostigde opleidingen zijn daardoor bij alle instellingen even duur. De hoogte van het wettelijk collegegeld wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld (art. 7:45, eerste lid, WHW), namelijk het Uitvoeringsbesluit WHW 2008. [29]
gedeeltelijkewettelijk collegegeld (art. 7:45, tweede lid, WHW). De onderwijsinstelling mag de hoogte van dit gedeeltelijke wettelijk collegegeld zelf bepalen, maar is daarbij gebonden aan een minimum en een maximumbedrag. Deze bedragen zijn eveneens vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur, waarbij het maximum wordt gevormd door het gewone wettelijk collegegeld (art. 7:45, derde lid, WHW). [31]
inschrijvingvoor een studie. Tot 1 september 2021 bepaalde art. 7:50, eerste lid, WHW dat de inschrijving niet afhankelijk wordt gesteld van een andere geldelijke bedrage dan de in de artikelen 7:43 tot en met 7:49 bedoelde bijdragen. Lid 2 bepaalde dat daarover bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het instellingsbestuur een bijdrage met het oog op de inschrijving mag verlangen in bepaalde kosten die rechtstreeks verband houden met het onderwijs. Bij amvb wordt vastgesteld op welke kostensoorten de bijdrage betrekking heeft en welk bedrag ten hoogste verlang kan worden. Een dergelijke amvb is niet tot stand gekomen; bepalend was het beleidskader dat is opgenomen in de brief van minister Bussemaker van april 2015 (zie hierna onder 4.23 e.v.).
inschrijvingvan een student kosten in rekening mogen worden gebracht (dus een invulling van art. 7:50, eerste lid, onder a, WHW): (a) de administratieve werkzaamheden die verband houden met het waarderen van een buitenlands diploma van de aspirant-student; (b) het toetsen van het taalniveau om te kunnen beoordelen of de aspirant-student met een buitenlands diploma voldoet aan het minimaal vereiste taalniveau; en (c) het afnemen van het toelatingsonderzoek als bedoeld in art. 7.29 WHW en sufficiëntie- en deficiëntietoetsen, indien de aspirant-student niet voldoet aan de vooropleidingseisen of niet in bezit is van een diploma dat recht geeft tot toelating. Lid 2 van art. 2 van Pro de regeling bepaalt dat de bij de student in rekening te brengen bijdrage ten hoogste kostendekkend mag zijn, behoudens de bijdrage bedoeld voor (a), waarvoor ten hoogste € 100,- in rekening wordt gebracht.
de bijzondere aard van de opleiding(dus een invulling van art. 7:50, eerste lid, onder b, WHW):
aanbiedenvan toegankelijk onderwijs. Ook universiteiten dienen dus een publiek belang. [37]
Stb. 2021, 263) (Variawet hoger onderwijs), kon bij amvb worden geregeld dat het instellingsbestuur met het oog op de inschrijving voor een opleiding een bijdrage mocht verlangen.
Op 28 april 2015 is een brief aan de instellingen, studentenvakbonden en koepelorganisaties gestuurd over de ruimte voor instellingen in het hoger onderwijs om een bijdrage van studenten te vragen. In deze brief is de interpretatie van de relevante wettelijke bepalingen over het vragen van collegegeld, rechten na inschrijving en het vragen van een eigen bijdrage van studenten opgenomen. Met de Variawet hoger onderwijs is artikel 7.50 van de WHW herzien, zodat ook bijdragen die gevraagd worden nadat de inschrijving heeft plaatsgevonden kunnen worden vastgesteld. De vaststelling van deze (andere) bijdragen gebeurt bij ministeriële regeling. Met onderhavige regeling wordt nadere uitvoering gegeven aan dit artikel.
Het is de verantwoordelijkheid van de instellingen om transparant te communiceren aan studenten over de andere bijdragen naast het collegegeld.”
Categorie 1.
Kosten die voortvloeien uit de wettelijke verplichtingen die instellingen op grond van de WHW hebben en die derhalve niet mogen worden doorberekend aan studenten (het kostenrisico komt voor de instelling)
Categorie2.
De kosten verbanden aan onderwijsbenodigdheden en bepaalde onderwijsvoorzieningen mogen uitsluitend op basis van vrijwilligheid worden doorberekend aan studenten (het kostenrisico komt voor de instelling of de student)
Categorie 3, Kosten verbonden aan extra diensten en voorzieningen die de studenten aangeboden worden al dan niet tegen betaling (het kostenrisico komt voor de student)
De kosten verbonden aan het verzorgen van onderwijs verdienen echter enige nuancering. Studenten worden geacht zelf de kosten van een aantal onderwijsbenodigdheden te dragen, zoals de kosten van boeken, materialen en bepaalde kosten verbonden aan praktica. In hoeverre kosten verbonden aan onderwijsvoorzieningen kunnen worden doorberekend is niet eenduidig aan te geven. De aard van de opleiding is hier bepalend of de kosten rechtstreeks voortvloeien uit de wettelijke taak van de instelling, dan wel vallen onder de kosten die kunnen worden doorberekend.
2. De kosten verbonden aan onderwijsbenodigdheden en bepaalde onderwijsvoorzieningen die mogen worden doorberekend aan studenten.
3. Kosten verbonden aan extra diensten en voorzieningen die de student worden aangeboden al dan niet tegen betaling.
Voor zover eigen bijdragen worden gevraagd dienen de instellingen zorg te dragen voor adequate voorlichting terzake. (...) De heffing en inning dienen dan ook separaat te geschieden van de heffing en inning van het collegegeld. Dit om te voorkomen dat de indruk wordt gewekt dat de inschrijving afhankelijk wordt gesteld van de betaling van een eigen bijdrage. (...)
(...) In algemene zin dient de hoogte van een bijdrage tezamen met de overige kosten voor leermiddelen in redelijke verhouding te staan tot de normvergoeding in de studiefinanciering. Mochten de kosten deze norm overschrijden dan zal, indien de desbetreffende student niet wenst in te gaan op de vraag om een vrijwillige bijdrage, en er sprake is van een activiteit of voorziening die deel uitmaakt van een verplicht onderdeel van de opleiding, hem een gelijkwaardig alternatief aangeboden moeten worden dat wel bij de desbetreffende norm past. Ook kan door de instelling financiële ondersteuning worden geboden aan studenten (...).”
die specifieke opleidingbekostigd is. Immers, ook bekostigde instellingen kunnen particulier gefinancierde (dus niet-bekostigde) opleidingen aanbieden. Anders dan de EUR in haar processtukken suggereert [47] is het dus níet zo dat een student uit het feit dat een opleiding wordt aangeboden door een bekostigde instelling, had kunnen en moeten begrijpen dat het niet ging om een private opleiding. De parttime Master Bedrijfskunde hád dus ook een door de EUR aangeboden privaat bekostigde opleiding kunnen zijn. Hieruit volgt tevens dat de omstandigheid dat de EUR ‘ging over de inschrijving en de kosten’ [48] niets zegt; dat is ook het geval als sprake is van een privaat bekostigde opleiding. Ook de inschrijving voor een niet-bekostigde opleiding aan een bekostigde opleiding, kan via Studielink verlopen. [49] Als het gaat om een opleiding aan een particuliere (niet-bekostigde) onderwijsinstelling, is het niet mogelijk om via Studielink in te schrijven. Maar, zoals gezegd, de EUR is geen particuliere onderwijsinstelling.
Verwarring in veelvoud. De juridische organisatie van instellingen voor hoger onderwijs)heeft de Inspectie zich zeer kritisch uitgelaten over deze praktijk. [50] Uit het voorwoord van het rapport blijkt dat de voorliggende zaak mede aanleiding vormde voor het onderzoek:
Praktijk 1: Meerdere rechtspersonen: De instelling laat onderwijs door meerdere rechtspersonen verzorgen, die met de instelling zijn verbonden door eigenaars- of bestuursrelaties. Problematisch daarbij is dat er volgens de WHW slechts 1 rechtspersoon bij de ‘instelling voor hoger onderwijs’ hoort. Voor studenten kan het lastig zijn te bepalen tot welke rechtspersoon zij zich moeten verhouden voor het ontvangen van onderwijs. Bovendien is de uitvoerende partij niet altijd (direct) aan te spreken door de inspectie en/of studenten.
bekostigdeopleiding aangeboden door een
bekostigdeonderwijsinstelling (de EUR).
De NVAO en DUO hebben bevestigd dat het gaat om de masteropleiding Business Management (croho-code 60644). Dit is een regulier bekostigde opleiding.Dat betekent dat het collegegeld voor deze deeltijdopleiding niet hoger mag zijn dan het tarief van het wettelijk collegegeld van 2.060 euro, voor degenen die voldoen aan de toelatingseisen en nationaliteitsvereisten en nog niet eerder een bekostigde masteropleiding hebben afgerond.
Het is niet mogelijk om een regulier bekostigde opleiding aan te bieden met ‘private extra’s’.” De Inspectie achtte het van het groot belang dat nog voor het aanvang van het schooljaar volgend op het verschijnen van het rapport duidelijk is dat de EUR ofwel tarieven hanteert zoals die zijn voorgeschreven voor het bekostigd onderwijs ofwel de onderzochte opleidingen in het vervolg volledig privaat aanbiedt. [58]
Vraag 1
5.Bespreking van het principale cassatiemiddel
subonderdeel 1bterecht is voorgesteld. Zie ik het goed, dan klaagt dit subonderdeel in de kern dat het feit, zoals hof overweegt in rov. 6.16, dat de oud-studenten waren ingeschreven bij een publiek bekostigde universiteit niet redengevend is voor de vraag of van dwaling sprake is. Zoals hiervoor al is opgemerkt, betekent het feit dat een bepaalde opleiding wordt aangeboden door een bekostigde instelling, zoals de EUR, niet automatisch dat ook
die specifieke opleidingbekostigd is. Immers, ook bekostigde instellingen kunnen particulier gefinancierde (dus niet-bekostigde) opleidingen aanbieden. Ook bij de inschrijving voor een niet-bekostigde opleiding aan een bekostigde opleiding kan via Studielink verlopen.
Subonderdeel 2bvoegt daar aan toe dat de beslissing van het hof althans ongenoegzaam gemotiveerd is omdat het hof in het geheel niet, althans ongenoegzaam, in zijn oordeel betrekt waarom aan het rapport van de Inspectie en de beleidsbrief van de minister geen betekenis toekomen en waarom het feit dat de door de EUR in rekening gebrachte kosten niet in lijn zijn met de bepalingen van de WHW niet, althans niet zonder meer een onrechtmatige daad oplevert.
Meer subsidiair: onrechtmatige daad
6.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
voorwaarde werd verbonden dat de student zich voorafgaand aan de inschrijving vrijwillig committeerde aan hogere bedragen dan de gefixeerde wettelijke dan wel gemaximeerde instellingscollegegelden. [67] Dit besluit hadden de oud-studenten via de bestuursrechter moeten aanvechten, aldus het middel.
onrechtmatigheidvan de door de minister gegeven instemming met een winningsplan. Dit laatste kan nog wél aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd. Hierdoor is niet uitgesloten dat ondanks de fictie van rechtmatigheid van de winningsbesluiten, de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens de omwonenden. Deze ‘soepele’ benadering [83] sluit aan bij de groeiende kritiek die er is op een strikte toepassing van het leerstuk van de formele rechtskracht. [84]
SCAU-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het CBHO een bij wet ingestelde onafhankelijke bestuursrechter is die beslist in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Degene die opkomt tegen een beslissing als bedoeld in art. 7.66, eerste lid, WHW bij de burgerlijke rechter dient in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard. [91]
beslissing van een orgaan van een instelling die jegens een betrokkene is genomen op grond van deze wet en daarop gebaseerde regeling’. Over de betekenis van dit begrip is aandacht besteed bij de overgang van de competentie van het CBHO naar de ABRvS. Zie de memorie van toelichting:
SCAU-arrest heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en het CBHO. [111] Deze zaak betrof een collectieve actie van belangenorganisatie SCAU tegen een aantal universiteiten. SCAU had vorderingen ingesteld bij de burgerlijke rechter, die berustten op de stelling dat universiteiten het instellingscollegegeld op een te hoog bedrag vaststellen. In cassatie ging het om de vraag of SCAU in deze vorderingen kon worden ontvangen bij de burgerlijke rechter.
SCAU-arrest en zijn m.i. achterhaald, omdat in die uitspraken een verdergaande strekking wordt gegeven aan de hiervoor besproken uitlatingen van de regering dan de Hoge Raad heeft gedaan (door te overwegen, kort gezegd, dat het naar het oordeel van de regering een partij altijd vrijstaat om te kiezen voor de burgerlijke rechter in plaats van het CBHO). [113] Verder kwam de taakverdeling aan de orde in een procedure bij het hof Den Haag tussen een student en een hogeschool (partijen noemen deze uitspraak in hun processtukken [114] ). De student vorderde onder meer schadevergoeding van de hogeschool wegens tekortkoming in de gesloten onderwijsovereenkomst. Daarbij stelde hij zich op het standpunt dat de hogeschool het hem onmogelijk had gemaakt om deel te nemen aan het onderwijs en dat onvoldoende stagebegeleiding was geboden. De student had een negatief bindend studieadvies gekregen. De hogeschool beriep zich op de formele rechtskracht van het besluit ten aanzien van het negatief bindend studieadvies. Het hof oordeelde echter dat dit beroep niet op ging. De vorderingen van de student waren immers niet gegrond op het ontbreken van de geldigheid van het negatief bindend studieadvies; dat was geen onderwerp van discussie. Hierdoor was de student ontvankelijk in zijn vordering bij de burgerlijke rechter. [115]
feitelijkis gebeurd is dat aan het besluit tot inschrijving de voorwaarde werd verbonden dat de student zich voorafgaand aan de inschrijving
vrijwillig committeerde aan hogere bedragen dan die gefixeerde wettelijke, respectievelijk gemaximeerde instellingscollegegelden. Daarmee is, zo wordt geklaagd, eenvoudigweg een onjuiste toepassing gegeven aan die bevoegdheid en dat zou in een bestuursrechtelijke procedure tegen de inschrijvingsbesluiten dan wel de facturatiebesluiten hebben kunnen leiden tot een vernietiging van het desbetreffende besluit, maar niet tot de conclusie dat van een appellabel besluit geen sprake is.
SCAU-arrest, omdat – aldus het hof – daarin de hoogte van het instellingsgeld ter discussie stond. Juist die situatie doet zich hier voor: de oud-studenten zijn van oordeel dat hen een te hoog wettelijk dan wel instellingscollegegeld in rekening is gebracht. Dat is exact de problematiek die ook centraal stond in het
SCAU-arrest, aldus steeds het middel.
feitelijkis gebeurd. De EUR, een openbare universiteit waarvan het college van bestuur in dit verband heeft te gelden als een bestuursorgaan in de zin van art, 1:1, eerste lid onder a, Awb, heeft de oud-studenten voortdurend voorgehouden dat zij een civielrechtelijke overeenkomst sloten met de EUR. De EUR stelde zich vóór en ín deze procedure consequent op het standpunt dat de betaling van de opleidingskosten zijn grondslag vindt in een overeenkomst, welke overeenkomst volgens de EUR op basis van vrijwilligheid, volgens de regels van aanbod en aanvaarding en tegen de achtergrond van contractsvrijheid tot stand zijn gekomen. [118]
feitelijkdus
nietis gebeurd, is dat de EUR een besluit tot inschrijving heeft genomen met daarbij de voorwaarde dat de student zich voorafgaand aan de inschrijving
vrijwillig committeerde aan hogere bedragen dan die gefixeerde wettelijke, respectievelijk gemaximeerde instellingscollegegelden. Het doet geen recht aan de feitelijke situatie om nu achteraf een dergelijk besluit te construeren. Bovendien valt een dergelijke gekunstelde constructie niet te rijmen met de voortdurende opstelling van de EUR jegens de oud-studenten, ook nadat zij bij de EUR hadden verzocht om terugbetaling van het teveel betaalde collegegeld, dat sprake was van een privaatrechtelijke overeenkomst. In die opstelling ligt immers besloten dat géén sprake is van een bestuursrechtelijk besluit in de zin van art. 1:3 Awb Pro. Naar mijn mening is het in strijd met redelijkheid en billijkheid dat de EUR zich, vele jaren later, in de civiele procedure alsnog op het standpunt stelt dat een besluit in de zin van de Awb is genomen en de oud-studenten zich (op enig moment) tot de bestuursrechter hadden moeten wenden. De EUR heeft de oud-studenten immers zelf op het verkeerde been gezet.
SCAU-arrest. Die zaak ging over de vaststelling van het instellingscollegegeld; dat is bij uitstek een besluit waarvoor de bestuursrechtelijke rechtsgang is aangewezen. In deze zaak is daarvan geen sprake.