Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 25 augustus 2015
Ontwikkelingsmaatschappij Beagle Vastgoed XII B.V.,
Hotel-Café-Restaurant Plaswijck Beheer B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Geruime tijd hebben wij van u (5H) geen schriftelijke informatie ontvangen over de voortgang van het project. Wij menen ons echter geen zorgen te hoeven maken. U heeft de verplichting op u genomen zich zo in te spannen dat per 31 juli 2007 de voor de realisering van het project vereiste vergunningen zijn verleend. Inmiddels is gebleken dat deze datum niet is gehaald. U heeft geen beroep gedaan op de ontbindende voorwaarde.”
“Tot ons genoegen heeft de Afdeling alle inhoudelijke bezwaren van de appellanten (onder meer over nut en noodzaak van de voorziene woningbouw en de maximale bouwhoogte alsmede de massa van de bebouwing die door de wijzigingsbevoegdheid mogelijk wordt gemaakt) afgewezen. (…) Het gevolg van die vernietiging is dat de Gemeenteraad met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling de verbeelding (in zeer beperkte mate) moet aanpassen en een nieuw artikel 32, eerste lid onder d, in de planregels dient op te nemen, waarin aan de kritiek van de Afdeling wordt tegemoet gekomen.”Ook op 22 december 2011 schreef Beagle aan Plaswijck onder meer:
“Hierbij willen wij u schriftelijk informeren over de stand van zaken en te ondernemen acties naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op 16 november jongstleden. (…).”
“Ook ik heb met genoegen kennis genomen van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 november 2011 over het bestemmingsplan “Kern en Plassen”. Deze uitspraak opent de weg voor de ook door mij zeer gewenste herontwikkeling van de Van der Valk-locatie.”
“Ons voorstel zou zijn, zoals ook in voorgenoemde bespreking gemotiveerd aan u toegelicht, om de bestaande overeenkomst tussen partijen te ontbinden en een nieuwe samen te stellen of tenminste op een aantal punten te herzien, zodanig dat meer recht wordt gedaan aan de risico’s die betrokken partijen met de realisatie van dit project lopen en aansluit op de huidige stedenbouwkundige en commerciële situatie”.
“Vasthouden aan de in eerste instantie in 2002 gemaakte afspraken is, gelet op het standpunt van de gemeente, daarom niet langer redelijk. (…). Als u echter niet bereid bent tot nader overleg of als blijkt dat wij met elkaar (om wat voor reden dan ook) niet tot nieuwe afspraken kunnen komen, zien wij ons in het licht van de moeilijke situatie die voor ons is ontstaan genoodzaakt ons tot de rechter te wenden met het verzoek de overeenkomst te ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden.”
“In het gesprek hebben we naar elkaar de intentie en het vertrouwen uitgesproken er in goed overleg alsnog met elkaar uit te komen om vervolgens de gemaakte afspraken vast te leggen in een nieuwe overeenkomst waarmee dan ook de bestaande overeenkomst zou komen te vervallen.”
“Om gevolg te geven aan de uitspraak van de ABRS zijn er twee mogelijkheden: (…) Wij geven de voorkeur aan een voortvarende herontwikkeling van de locatie en stellen daarom voor een projectbestemmingsplan te laten vaststellen door de deelraad. Op ons advies heeft de ontwikkelaar aangegeven een projectbestemmingsplan procedure te willen volgen”.
primairde veroordeling van Plaswijck tot betaling van € 1.548.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede de veroordeling van Plaswijck tot betaling van € 13.010,87, te vermeerderen met wettelijke rente.
geacht wordtin vervulling te gaan bij een negatieve rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 24.2 van de koopovereenkomst.
voorgesteldde koopovereenkomst te wijzigen of te ontbinden, maar dat Beagle zich niet meer aan de koopovereenkomst gebonden achtte omdat de ontbindende voorwaarde zou zijn vervuld, is daaruit evenmin af te leiden. Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat de ontbindende voorwaarde is vervuld, is er aldus sprake van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat Beagle zich niet meer erop kan beroepen dat de overeenkomst is ontbonden. Het is daarom niet relevant dat zij op 15 maart 2013 een nadrukkelijk beroep op die ontbinding heeft gedaan.
onvoorzienwordt. Daar komt bij dat artikel 6:258 lid 1 BW Pro eist dat sprake is van een onvoorziene omstandigheid die van dien aard is dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Juist nu Beagle zich aldus heeft gedragen dat haar geen beroep meer toekomt op de ontbinding van de overeenkomst, doet die situatie zich niet voor.
nietmeer uitvoerbaar is. Uit de brief van de wethouder van 10 februari 2012 volgt dat er een reële mogelijkheid is het project tot stand te brengen. Dat de in die brief geschetste weg onherroepelijk niet tot succes zal kunnen leiden is uit de stellingen van Beagle niet af te leiden, terwijl wel vaststaat dat Beagle zich in ieder geval na 15 maart 2013 niet ervoor heeft ingespannen die weg tot een succes te maken. Ook vanwege die omstandigheden faalt haar beroep op artikel 6:258 BW Pro en haar nog meer subsidiaire beroep op de “beperkende (of aanvullende) werking van de redelijkheid en billijkheid”. Het hof voegt daaraan toe dat het Beagle op grond van artikel 4.1 van de koopovereenkomst vrij staat in overleg met Plaswijck het perceel eerder geleverd te krijgen dan op het in de eerste zin van dat artikel voorziene moment. Van een zinledige overeenkomst is reeds om die reden geen sprake.
als gevolg daarvanniet over de benodigde vergunningen kan worden beschikt. Dat die situatie zich voordoet is uit de stellingen van Plaswijck niet af te leiden. Evenmin is daaruit af te leiden dat Beagle een dergelijke termijn of een bezwaar- en/of beroepsmogelijkheid heeft laten verstrijken na 3 september 2014. Grief 3 faalt daarom.