Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 11 augustus 2015
[appellant],
[geïntimeerde 1],
advocaat: mr. N. [geïntimeerde 1] te Den Haag.
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
In het principale en incidentele appel:
2.1. Uitgaande van een tussen partijen op 1 juni 2002 tot stand gekomen huurovereenkomst van een bedrijfsruimte (supermarkt) waarbij [geïntimeerde 1] als verhuurder en [appellant] als huurder optrad, heeft [geïntimeerde 1] zich op het standpunt gesteld dat [appellant] is tekortgeschoten in de correcte en tijdige nakoming van zijn verplichting tot betaling van de overeengekomen huursom. Op deze grondslag heeft [geïntimeerde 1] – in hoofdzaak weergegeven – gevorderd dat de overeenkomst wordt ontbonden en dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur alsmede tot ontruiming van het gehuurde.
2.2. Gelijk de rechtbank heeft overwogen in r.o. 2.2 van het vonnis d.d. 22 januari 2013, is tussen partijen het belangrijkste geschilpunt de vraag of het bestaan van een (volgens [geïntimeerde 1] aanvankelijk mondeling afgesproken) jaarlijkse huurverhoging ad 5 % kan worden gebaseerd op een brief d.d. 3 juli 2006 waarvan [geïntimeerde 1] stelt dat [appellant] deze heeft ondertekend en aan hem ([geïntimeerde 1]) heeft gezonden, alsmede op een op 1 juli 2006 aangepaste en volgens [geïntimeerde 1] door [appellant] ondertekende versie van de oorspronkelijke overeenkomst. In dat verband heeft [appellant] stellig weersproken dat hij deze stukken heeft ondertekend en aan [geïntimeerde 1] heeft gezonden.
2.3. De rechtbank heeft in r.o. 5.4 van haar tussenvonnis d.d. 25 oktober 2012 geoordeeld dat de bewijslast van de juistheid van hetgeen aan het gevorderde ten grondslag is gelegd, rust op [geïntimeerde 1], en het voornemen uitgesproken om een handschriftdeskundige te benoemen. De rechtbank heeft vervolgens na inwinning van het deskundigenbericht bij eindvonnis geoordeeld dat is komen vast te staan dat partijen zijn overeengekomen dat de huur jaarlijks met 5% wordt verhoogd, alsmede dat sedert 1 juli 2007 tot en met de maand mei 2012 een huurachterstand is ontstaan tot het uiteindelijke beloop van € 15.091,58. Deze achterstand aan de zijde van [appellant] in het betalen van de volledige huur, is door de rechtbank ten grondslag gelegd aan haar beslissing tot ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde door [appellant], alsmede tot betaling van laatstgenoemd bedrag in hoofdsom aan [geïntimeerde 1].
2.4. [appellant] heeft zich met
grief Iop het standpunt gesteld dat de stellingen van [geïntimeerde 1] zó onaannemelijk zijn, dat reeds daarom de rechtbank niet had dienen te komen tot het toelaten van [geïntimeerde 1] tot enige bewijslevering. De
grieven II tot en met Vin het principale appel hebben betrekking op feiten en omstandigheden die de rechtbank blijkens het tussenvonnis van 25 oktober 2012 verder van belang achtte voor de uitkomst van het geding. Waar de rechtbank in dat vonnis voorts is vooruitgelopen op het mogelijk slagen van de bewijslevering (in die zin dat alsdan de vorderingen van [geïntimeerde 1] zullen worden toegewezen), heeft [appellant] daartegen de
grieven VI t/m VIIIgericht.
2.5.
Grief IXheeft betrekking op het in het tussenvonnis van 22 januari 2013 passeren door de rechtbank van het verweer van [appellant] dat hij in onvoldoende mate de Nederlandse taal machtig is, zodat de brief van 3 juli 2006 niet van hem afkomstig kan zijn. Ook
grief Xwaarin [appellant] de afwijzing van diens verzoek tot de benoeming van een tweede deskundige aan de orde stelt, heeft betrekking op dit tussenvonnis.
2.6. De
grieven XI t/m XIVin het principale appel houden verband met de in de deskundigenrapportage neergelegde bevindingen, (mede) waarop de rechtbank haar in het eindvonnis neergelegde (eind)oordeel heeft gegrond dat de vorderingen van [geïntimeerde 1] zoals hierboven onder 2.1 globaal aangeduid, voor toewijzing in aanmerking komen.
2.7. Met de
grieven XV en XVIkomt [appellant] op tegen de in het eindvonnis vervatte eindbeslissing en hetgeen daaraan direct of zijdelings ten grondslag is gelegd.
2.8. De grief in het door [geïntimeerde 1] ingestelde incidentele appel strekt tot het in rechte vaststellen dat de periode waarin [appellant] een betalingsachterstand heeft opgebouwd, duurde van 1 juli 2007 tot en met 8 oktober 2013, nu [appellant] eerst op 9 oktober 2013 het gehuurde heeft ontruimd.
Grief Istrekt in essentie ten betoge dat de rechtbank ten onrechte [geïntimeerde 1] heeft toegelaten tot het bewijs dat [appellant] zijn handtekening heeft geplaatst onder de brief van 3 juli 2006 alsmede onder de aangepaste huurovereenkomst d.d. 1 juli 2006. In dat verband voert [appellant] aan dat – op grond van de door [appellant] gesignaleerde “ernstige inconsistenties en ongerijmdheden” – de rechtbank niet had kunnen toekomen aan enige bewijsopdracht aan [geïntimeerde 1].
grief IXin essentie dezelfde klacht bevat als grief I, is ook deze grief vergeefs voorgedragen. Daarop aansluitend merkt het hof nog op dat [appellant] met het uiten van de wens tot een (inhoudelijk) onderzoek naar taal, spelling, stijl e.d., zich ook in dat verband heeft beperkt tot het opperen van veronderstellingen, zonder daaraan genoegzaam een (begin van een) feitelijke en door een deskundige toetsbare onderbouwing te geven. Hetzelfde geldt met betrekking tot het door [appellant] voorgestelde inkt- en papieronderzoek, voor zover de afwijzing van zodanig onderzoek al valt binnen de door de grieven begrensde rechtsstrijd in hoger beroep. Nog daargelaten dat [appellant] met het thans bedoelde er blijk van geeft kennelijk tóch enigerlei bewijslevering op zijn plaats te achten, stuit het verlangen tot het doen uitvoeren van zodanig (nader) onderzoek door deskundigen reeds af op de omstandigheid dat het inwinnen van een deskundigenbericht niet tot doel kan hebben (een van) partijen te voorzien van inhoudelijk uitgewerkte argumenten die vervolgens aan de wederpartij kunnen worden tegengeworpen.
Waar de rechtbank in haar eindvonnis d.d. 29 augustus 2013, in het bijzonder in r.o. 3.6, op de in dat vonnis weergegeven gronden heeft geoordeeld dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat [appellant] de handtekeningen op de brief van 3 juli 2006 alsmede op de aangepaste huurovereenkomst heeft gezet, welk oordeel en de daaraan ten grondslag liggende onderbouwing door [appellant] met de grieven XI e.v. zijn bestreden, zal het hof thans eerst op deze grieven ingaan.
grief XItracht [appellant] ingang te doen vinden – in essentie – dat de door de rechtbank benoemde deskundige (t.w. [… 1]), mede wegens het kostenaspect, in de definitieve versie van zijn rapportage onvoldoende rekening heeft gehouden met de standpunten van [appellant] zoals verwoord in de brief van zijn gemachtigde d.d. 7 juni 2013, houdende commentaar op het concept-rapport van de deskundige (als bijlage 2 gevoegd bij de deskundigenrapportage).
Grief XIIbevat, zoals de grief redelijkerwijs moet worden begrepen, meerdere klachtonderdelen die het hof hieronder zal bespreken, voor zover de klachten blijkens de grief en de toelichting daarop begrijpelijk zijn en toereikend zijn gemotiveerd.
11.1. Zo klaagt [appellant] er met de grief in de eerste plaats over dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet wordt betwijfeld dat de handtekeningen in een vlot en vloeiend verlopende beweging zijn geschreven. Nu in de toelichting op de grief evenwel niet ligt besloten dat [appellant] gemotiveerd het standpunt inneemt dat de handtekeningen
nietin een vlot en vloeiend verlopende beweging zijn geschreven, is de inhoud van dit klachtonderdeel onduidelijk, en mist de grief daarom in zoverre doel.
11.2. Voorts klaagt [appellant] in de grief over het door de rechtbank van de hand wijzen van zijn (Salehs) argument met betrekking tot de “gestelde innerlijke tegenstrijdigheid omtrent de constatering dat de kans op een geslaagde nabootsing wordt vergroot door de lage complexiteit van de handtekening”. Hieromtrent overweegt het hof dat het gaat om een stelling die in haar algemeenheid weliswaar juist kan zijn, doch die verder moet worden geplaatst en beoordeeld in de context van al hetgeen ter zake dienende is. Een lage complexiteit vermag derhalve zonder nadere onderbouwing die evenwel ontbreekt, niet reeds daarom te leiden tot de conclusie dat de onderwerpelijke handtekening onecht is. Ook dit onderdeel van de grief kan daarom niet tot vernietiging leiden.
11.3. Het hof begrijpt dat [appellant] in het derde onderdeel van de grief thans uitgaat van de situatie waarin het, anders dan hierboven omschreven in r.o. 11.1, wél gaat om vlot en vloeiend geplaatste handtekeningen. Voor zover het hof in de stellingen van [appellant] al een klacht kan ontwaren, heeft deze tot onderwerp dat uit de omstandigheid dat een handtekening qua vorm gemakkelijk is na te bootsen, ook moet volgen dat deze gemakkelijker in een vloeiende beweging kan worden nagebootst.
11.4. Dienaangaande overweegt het hof dat het, wat hiervan in het concrete geval inhoudelijk ook zij, daarbij eveneens gaat om een omstandigheid die enkel in de context van alle omstandigheden van het geval op haar juiste waarde kan worden beoordeeld. Uit zijn rapportage blijkt dat de door de rechtbank benoemde deskundige ook daadwerkelijk een en ander in zijn overwegingen heeft betrokken en aan zijn (eind)oordeel mede ten grondslag heeft gelegd. Hetgeen [appellant] daartegen heeft aangevoerd, mede gebaseerd op hetgeen W. de Jong als de door [appellant] ingeschakelde partij-deskundige heeft aangevoerd in diens “plausibiliteitsonderzoek” (productie 22 bij de memorie van grieven) waar hij een “zelfstandig” tegenonderzoek niet mogelijk achtte, kan wegens zijn theoretisch karakter en feitelijke algemeenheid niet afdoen aan de concrete bevindingen van de door de rechtbank benoemde deskundige. Ook dit griefonderdeel faalt.
11.5. Voor het overige heeft het hof in de grief geen – ook voor de wederpartij kenbare en toereikend gemotiveerde – klacht kunnen ontwaren, zodat in zoverre sprake is van een niet behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grief. Grief XII mist derhalve doel.
Grief XIIIbetreft het door [appellant] gemaakte verwijt aan de rechtbank dat zij ten onrechte de bevindingen van de benoemde deskundige heeft overgenomen. Het hof overweegt hieromtrent dat, waar deze grief met name is gebaseerd op de stelling dat de uitleg door het NFI (waaraan de door de rechtbank benoemde deskundige is verbonden) van het Bayesiaanse model “in de wetenschappelijke community niet overal” wordt gedeeld, zodat de “bevindingen inzake de Likelihood Ratio in ernstige mate dienen te worden genuanceerd”, daarmee geen sprake is van een toereikend uitgewerkte en op het onderhavige geval toegespitste onderbouwing van de grief, zodat deze doel mist.
grief XIVbestrijdt [appellant] de overweging van de rechtbank dat de omstandigheid dat [geïntimeerde 1] en zijn familie van Turkse afkomst zijn en in Turkije van links naar recht wordt geschreven, de waarschijnlijkheid verhoogt dat de handtekening niet door [geïntimeerde 1] c.s. is vervalst, maar een authentieke handtekening van [appellant] is.
grief XVkomt [appellant] in de eerste plaats op tegen de overweging van de rechtbank dat – waar partijen in 2006 een juridisch geschil hadden waarbij [geïntimeerde 1] de huurovereenkomst met [appellant] wilde beëindigen – het “heel wel mogelijk” is dat [appellant] zijn positie zeker wilde stellen door een ander tussen partijen bestaand geschilpunt, namelijk de hoogte van de huur, te beslechten. Nu het hof zijn oordeel niet zal doen steunen op de thans aan de orde zijnde veronderstelling, kan de juistheid daarvan als niet-gedingbeslissend in het midden worden gelaten.
grief Xheeft [appellant] naar voren gebracht dat ten onrechte de benoeming van een contra-expert achterwege is gebleven.
In prima heeft [appellant] bepleit dat, naast de door de rechtbank benoemde deskundige (meergenoemde [… 1]), tevens een tweede deskundige als contradeskundige dient te worden benoemd, en wel drs. [… 2], verbonden aan het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau. De rechtbank heeft hiertoe op proceseconomische overwegingen evenwel geen toereikende gronden aanwezig geacht, zodat het is gebleven bij de benoeming van één deskundige (t.w. [… 1]).
– in essentie – dat de rapportage van [… 2] valide is en kan bijdragen aan een voor [geïntimeerde 1] positieve uitkomst van de procedure.
grief IIzich tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 5.3 van het tussenvonnis d.d. 25 oktober 2012 dat de bewoordingen van de brief van 3 juli 2006 – “Tussen u als verhuurder en ondergetekende als huurder is mondeling overeengekomen dat de huurprijs jaarlijks per 1 juli met 5 % zou worden verhoogd” – duidelijk zijn en geen ruimte laten voor een andere uitleg.
grief IIIthans in het midden of het feit dat artikel 3 van Pro de huurovereenkomst voorziet in een huurprijsverhoging, het met de vorige grief bestreden oordeel al dan niet bevestigt, nu het zijn oordeel daarop niet doet steunen.
grief IVkomt [appellant] op tegen de overwegingen van de rechtbank zoals deze redelijkerwijs moeten worden begrepen, dat het oordeel dat partijen een jaarlijkse huurverhoging van 5 % zijn overeengekomen, bevestiging vindt in de omstandigheid dat tussen partijen in de zomer van 2006 een huurprijsverhoging van 5 % is doorgevoerd en dat [appellant] een huurachterstand van € 2.000,00 heeft betaald.
grief Vvergeefs bestreden – heeft overwogen.
Grief XVIwaarin wordt blijk gegeven van een daaraan tegengesteld standpunt, mist derhalve doel.
grieven VI en VIIwaarin [appellant] – in essentie weergegeven – het bestaan van de door [geïntimeerde 1] aan diens vordering ten grondslag gelegde huurachterstand tot het door de rechtbank vastgestelde bedrag bestrijdt, missen op grond van het voren overwogene doel. Gelet op de hoogte en de duur van de huurachterstand, is het hof van oordeel dat zulks de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Daarmee faalt ook
grief VIII.