Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 20 oktober 2015
Stichting Baanstee Noord-NEE!,
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Economische Zaken),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Het beroep tegen het besluit van 29 maart 2012 is gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd (…). De Afdeling zal de staatssecretaris opdragen binnen tien weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van de stichtingen te nemen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak en deze uitspraak is overwogen. De Afdeling ziet aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:72, zevende lid, van de Awb.
“De rechtbank stelt vast dat verweerder met het thans voorliggende besluit opnieuw niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling om de aanvraag te toetsen aan de in artikel 75 Ffw Pro gestelde eisen. Het thans voorliggende nieuwe besluit vormt daarentegen een herhaling van hetgeen verweerder als zijn standpunt ter zake de steenuil en de kerkuil heeft geformuleerd in het door de Afdeling vernietigde besluit van 29 maart 2012, met als conclusie dat er geen sprake is van overtreding van artikel 11 Ffw Pro. Voor een zodanig standpunt bestond evenwel, gelet op de eerdere uitspraken van de Afdeling, niet langer ruimte. (…) Dit zo zijnde kan de beslissing van de rechtbank geen andere zijn dan een gegrondverklaring van het beroep van eiseressen en een vernietiging van het bestreden besluit.”
lees: 27 februari 2014] te executeren. De vordering in conventie heeft hij afgewezen.
rief 1aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de Afdeling niet heeft bepaald dat de Staat een dwangsom verbeurt indien niet aan de opdracht wordt voldaan om een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling. De Stichting voert aan dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de opdracht aan de staatssecretaris was om met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling een nieuw besluit te nemen.
Grief 2is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het verbeuren van een dwangsom alleen is gekoppeld aan de veroordeling om binnen tien, respectievelijk twee, weken na verzending van de betreffende uitspraak een nieuw besluit te nemen.
“Ook indien het bestuursorgaan na de rechterlijke uitspraak wel een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift heeft genomen, maar de belanghebbende van mening is, dat deze niet in overeenstemming is met de uitspraak van de rechtbank, zal deze daarover het oordeel van de rechtbank kunnen uitlokken. De rechtbank kan dan beoordelen of de klacht gegrond is en zo nodig een dwangsom opleggen om naleving te verzekeren”(PG Awb II, p. 472).
met inachtneming van die uitspraakbinnen tien weken een nieuwe beslissing te nemen, maar tegen de achtergrond van het bovenstaande kan daaruit niet worden afgeleid dat de Afdeling ook heeft bedoeld dat een dwangsom zou worden verbeurd indien de nieuwe beslissing inhoudelijk niet aan die aanwijzing zou voldoen. Voor die conclusie was nodig geweest dat de Afdeling niet zou hebben volstaan met een enkele verwijzing naar de overschrijding van de gestelde termijn, maar ook naar de inhoudelijke aanwijzing zou hebben verwezen.