Uitspraak
“2.3Opschortende voorwaarde
er tussen VARIANT (…) en PLASTIFLEX (…) een afbetalingsregeling tot stand komt aangaande de openstaande lange termijn schuld (…)
er tussen VARIANT (…) en PLASTIFLEX (…) een distributieovereenkomst tot stand komt.
een betaling van 100.000 euro uiterlijk op 31.01.2012
een betaling van 200.000 euro uiterlijk op 31.01.2013
“Kwijtscheldingsovereenkomst lening Plastiflex (…) aan Variant (…) ad 300k€
Bij het behalen van een omzet tussen Plastiflex en Variant in de periode 1 Juli 2011 – 30 Juni 2012, van 1Mio€, wordt een schuld kwijtgescholden van 75.000€. Indien het 1Mio niet gehaald wordt, wordt deze schuld (…) door Variant aan Plastiflex overgemaakt aan het einde van deze periode.
Voor de periode 1 Juli 2012 – 30 Juni 2012 (hof: bedoeld is 30 juni 2013) geldt dezelfde clausule met de bedragen: 1,5Mio€ resp. 100.000€
Voor de periode 1 Juli 2013 – 30 Juni 2013 (hof: bedoeld is 30 juni 2014) geldt dezelfde clausule, met de bedragen: 2 Mio€ resp. 125.000€.”
verwachtejaarlijkse omzet van € 500.000,-- zou genereren en een marge van 20%. Dat de omzet vervolgens tegenvalt is een louter toekomstige omstandigheid (als bedoeld in artikel 6:228 lid 2 BW Pro), zodat het beroep op dwaling om die reden al niet kan slagen. Daarbij komt dat die tegenvallende omzet voornamelijk aan Variant kan worden toegeschreven: Variant heeft kort na aanvang van het contract besloten om van leverancier te wisselen (van Eurofilters naar een Chinese leverancier) wat vermoedelijk bij Emil Lux niet in goede aarde is gevallen, aldus Plastiflex.
“Variant Benelux has concluded a supply contract with Emil Lux - OBI Group. This contract represents a planned annual turnover of around 500 k€ with an operating net margin of around 20%. (…) This contract has been concluded end of June 2009 for first supply end June early July.”. Hieruit blijkt dat het contract met Emil Lux eind juni 2009 is afgesloten en dat gesproken wordt over een geplande, dus
verwachtejaaromzet en marge. Uit deze passage hebben Variant c.s. niet redelijkerwijze kunnen begrijpen dat het om een gegarandeerde jaaromzet en marge ging. Ook hun ter gelegenheid van het pleidooi naar voren gebrachte standpunt dat geen sprake is van een louter toekomstige omstandigheid omdat - naar het hof begrijpt - de leveranties aan Emil Lux begin juli 2009 zijn aangevangen terwijl de schuldbetalingsregeling, met daarin de bonusregeling, tussen Plastiflex en Variant c.s. pas op 8 december 2009 is afgesloten, kan niet worden gevolgd. Naar Plastiflex bij pleidooi heeft toegelicht, ging het om een geplande
jaaromzet. Ten tijde van de onderhandelingen tussen Plastiflex en Variant c.s. was dus nog niet bekend dat die niet gehaald zou worden; dit nog daargelaten of, zoals Plastiflex voorts heeft gesteld en Variant c.s. niet (gemotiveerd) hebben betwist, de verandering van leverancier door Variant c.s. de omzet en de marge negatief heeft beïnvloed. Dat Variant, nadat zij door Bakker Holding was overgenomen, de in verband met het Emil Lux-contract verwachte jaaromzet en marge over 2010 niet heeft gehaald, is onvoldoende om een beroep op dwaling te rechtvaardigen.
“[v]an onze zijde ook akkoord met beëindiging van de distributie overeenkomst”, blijkt dat Variant heeft ingestemd met beëindiging van de distributieovereenkomst. Reeds om deze reden kan Variant Plastiflex niet verwijten dat laatstgenoemde heeft bewerkstelligd dat Variant de omzetdoelstellingen niet kon halen. Ook in dit opzicht is derhalve geen sprake van schuldeisersverzuim.
“dat een regeling wordt getroffen voor de periode tot 1 april 2011, dus niet voor alle nadien gerezen problemen”.Het hof is van oordeel dat Variant c.s. hiermee, ook gelet op de context waarin deze opmerking is gemaakt, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig hebben erkend dat tussen partijen een regeling is getroffen waarmee alle problemen tot 1 april 2011 zijn afgedaan. Dit is een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv Pro. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat deze erkentenis door dwaling of niet in vrijheid is afgelegd, kunnen Variant c.s. hierop in dit geding niet terugkomen. Hieruit vloeit voort dat de door Variant c.s. gevorderde schadevergoeding, voor zover die betrekking heeft op de periode tot 1 april 2011, moet worden afgewezen.