Uitspraak
Gerechtshof Den Haag
Arrest
[verdachte],
NJ2014/46 en HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1171,
NJ2009/541).
Gerechtshof Den Haag
In hoger beroep is de verdachte terechtzitting gehouden voor het vermeende misdrijf van smaad, waarbij hij werd beschuldigd van het op internet noemen van de benadeelde partij als 'oplichter'. De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot een geldboete, maar het hof heeft dit vonnis vernietigd.
De kern van de zaak betrof de vraag of de tenlastelegging voldeed aan de eis van een concreet feit zoals vereist door artikel 261, eerste lid, Wetboek van Strafrecht. Het hof oordeelde dat de beschuldiging onvoldoende was geconcretiseerd omdat het enkel een eigenschap betrof en geen duidelijk herkenbare gedraging van de verdachte. Hierdoor kon het hof niet vaststellen dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen was.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij. De uitspraak benadrukt het belang van een duidelijke en voldoende geconcretiseerde tenlastelegging bij smaadzaken, zeker wanneer het gaat om uitlatingen via internet.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende concretisering van de tenlastelegging van smaad.