ECLI:NL:GHDHA:2015:3026

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2015
Publicatiedatum
2 november 2015
Zaaknummer
DH 27-2015
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 12c SvArt. 62b Wet op de rechterlijke organisatieArt. 512 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na einduitspraak in artikel 12 Sv-procedure

De wrakingskamer van het Gerechtshof Den Haag behandelde een verzoek tot wraking van raadsheren die betrokken waren bij een artikel 12 Sv Pro-procedure. Verzoeker stelde dat hij niet eerlijk behandeld was omdat hij geen gelegenheid had gekregen om originele stukken toe te voegen aan het dossier en dat een lid van de raadkamer eerder bij een gerelateerd klaagschrift betrokken was, waardoor onpartijdigheid ontbrak.

Daarnaast klaagde verzoeker over het ontbreken van kennisgeving en de mogelijkheid om het dossier in te zien en zijn standpunt mondeling toe te lichten. Verzoeker voerde aan dat hij zijn wrakingsverzoek binnen een redelijke termijn had ingediend nadat hij kennis had genomen van de beschikking.

De wrakingskamer oordeelde echter dat de wet geen mogelijkheid biedt tot wraking nadat een einduitspraak is gedaan, waardoor het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is. De behandeling van het verzoek werd daarom niet inhoudelijk beoordeeld. Tevens werd bevestigd dat de procedure volgens artikel 12c Sv rechtmatig was verlopen, ook zonder oproep van verzoeker.

De beslissing werd uitgesproken door drie raadsheren in raadkamer op 28 oktober 2015, waarbij verzoeker, de raadsheren en de advocaat-generaal een afschrift van de beslissing ontvingen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat de wet geen wraking toestaat na een einduitspraak.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : DH 27-2015
Parketnummer hoofdzaak : K15/0327
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken
inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering, van:

[verzoeker]

wonende te [adres],
verzoeker,

Het geding

1. De raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, bestaande uit mrs. P.C. Kortenhorst, I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en N. van der Wijngaart (verder: de raadkamer) heeft bij beschikking van 2 oktober 2015 het op grond van artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) ingediende beklag afgewezen. In verband met de toepassing van artikel 12c Sv is nader onderzoek in raadkamer achterwege gebleven en zijn de betrokken partijen niet opgeroepen.
2. Bij brief van 8 oktober 2015, bij het gerechtshof Amsterdam binnengekomen op 12 oktober 2015, heeft de verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan.
Bij beslissing van de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam van 12 oktober 2015 is de wrakingszaak in het kader van de ‘pilot externe wrakingskamer’ op grond van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie ter verdere behandeling verwezen naar de wrakingskamer van dit gerechtshof.
3. De raadsheren hebben niet in de wraking berust.
4. De wrakingskamer heeft het verzoek op 28 oktober 2015 in raadkamer behandeld, waar verzoeker is gehoord.
De advocaat-generaal mr. C.J.M.G. Strack heeft zijn standpunt uiteengezet.

Het wrakingsverzoek

5. Door de verzoeker zijn, blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek en de mondelinge toelichting in raadkamer op 28 oktober 2015, de volgende wrakingsgronden naar voren gebracht – zakelijk weergegeven – :
De verzoeker heeft allereerst aangevoerd dat geen sprake is geweest van een eerlijke behandeling van zijn artikel 12 Sv Pro klaagschrift. Hij is immers niet in de gelegenheid gesteld om in de artikel 12 Sv Pro-procedure de door hem aangekondigde originele stukken aan het artikel 12 Sv Pro-dossier toe te voegen. Het gerechtshof Amsterdam heeft aldus op basis van een incompleet dossier een beslissing genomen op het door verzoeker ingediende beklagschrift.
In de tweede plaats heeft de verzoeker aangevoerd dat een van de leden van de artikel 12 Sv Pro raadkamer, mr. Van Asperen de Boer-Delescen, reeds eerder betrokken was bij een door de verzoeker ingediend artikel 12 Sv Pro-klaagschrift dat verband houdt met het onderhavige klaagschrift. De verzoeker is aldus van mening dat mr. Van Asperen de Boer-Delescen niet voldoet aan de subjectieve en objectieve toets van onpartijdigheid. Ook de handelwijze van de overige leden van de raadkamer voldoet, aldus de verzoeker, niet aan de eisen van objectieve en subjectieve onpartijdigheid.
Voorts heeft de verzoeker aangevoerd dat het zeer kwalijk is dat de behandeling van zijn artikel 12 Sv Pro-klaagschrift heeft plaatsgevonden zonder dat hij daarvan op de hoogte is gesteld en zonder dat hij in de gelegenheid is gesteld het dossier in te zien en zijn standpunt ter zitting naar voren te brengen.
Ten slotte heeft de verzoeker aangevoerd, in het kader van de ontvankelijkheid van zijn wrakingsverzoek, dat hij niet eerder dan dinsdag 6 oktober 2015 heeft kennisgenomen van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam en daarmee van de samenstelling van de wrakingskamer en het feit dat er geen zitting had plaatsgevonden. De verzoeker is van mening dat hij niet eerder heeft kunnen reageren dan hij nu heeft gedaan, dat hij aldus binnen een redelijke termijn zijn wrakingsverzoek heeft ingediend en dat hij aldus ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoekschrift.
6. Mr. P.C. Kortenhorst heeft – ook namens de overige leden van de raadkamer – in zijn schriftelijke reactie het standpunt ingenomen dat de verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn wrakingsverzoek, nu het wrakingsverzoek eerst is binnengekomen nadat de eindbeslissing in de beklagzaak reeds was gedaan, en de wet in zodanig geval niet voorziet in een mogelijkheid tot wraking.
7. De advocaat-generaal heeft in raadkamer mondeling het standpunt ingenomen dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn wrakingsverzoek, nu de wet niet voorziet in een mogelijkheid tot wraking wanneer in de betreffende zaak reeds een eindbeslissing is gegeven.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

8. De wrakingskamer oordeelt als volgt.
De wet voorziet niet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de zaak geëindigd is door het wijzen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van (één van) de rechters die deze uitspraak hebben gedaan. Reeds daarom is verzoeker niet-ontvankelijk in het onderhavige wrakingsverzoek (zie ook HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2977, NJ 1999, 271). Het met wraking beoogde doel dat de rechter de zaak niet (verder) behandelt, kan immers niet meer worden bereikt. Aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek komt de wrakingskamer dan ook niet toe. De omstandigheid, dat de regeling van artikel 12 e.v. Sv kan meebrengen dat, zoals in casu, door een gerechtshof een raadkamer-beslissing genomen wordt op basis van het dossier, zonder dat de klager is opgeroepen om het beklag nader toe te lichten omdat naar het oordeel van het gerechtshof sprake is van één van de in artikel 12c Sv bedoelde gevallen, maakt dat niet anders.
Een en ander leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het hof:
  • verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt gezonden aan verzoeker, genoemde raadsheren en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S. van Dissel, Chr.Th.P.M. Zandhuis en M.E. Honée en is uitgesproken in raadkamer van 28 oktober 2015 in aanwezigheid van de griffier mr. E. van Doren.