Uitspraak
18 december 1998.
Hoge Raad
Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld tegen arresten van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarbij hij tevens wraking heeft verzocht van verschillende leden van de Hoge Raad die bij de cassatieprocedure betrokken waren.
De Hoge Raad overweegt dat in cassatieprocedures verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat geldt, ook voor het indienen van wrakingsverzoeken. Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoeken niet via een advocaat ingediend, waardoor hij niet-ontvankelijk is. Daarnaast voorziet de wet niet in wraking van rechters na het wijzen van een einduitspraak, noch in wraking van rechters die niet bij de zaak betrokken zijn.
De Hoge Raad wijst daarom alle wrakingsverzoeken af en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk. Dit oordeel is gebaseerd op de toepasselijke artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Reglement van Orde van de Hoge Raad. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoeken tegen leden van de Hoge Raad wegens het ontbreken van verplichte procesvertegenwoordiging en procedurele beperkingen.