Uitspraak
Columbus,
de Bank,
advocaat: mr. J.W. van Rijswijk.
2.1. De Bank heeft op 3 augustus 2009 een kredietovereenkomst gesloten met de Internationale Rijst Onderneming B.V. (ook wel handelend onder de naam International Rice) en Jama Machinery B.V. (hierna: IRO en Jama), in welke overeenkomst IRO en Jama zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk zijn aangeduid als de “kredietnemer” (zie productie 1 bij de inleidende dagvaarding). In dat verband heeft de Bank een aantal (persoonlijke en zakelijke) zekerheden bedongen, waaronder de hoofdelijke aansprakelijkheid van IRO en Jama, en de vestiging van een pandrecht ten behoeve van de Bank op de voorraden van de “kredietnemer” alsmede de bedrijfsinventaris (waaronder de machines van Jama) en de vorderingen. IRO en Jama hebben zich met het oog op de bevoorschotting onder het krediet verplicht tot het doen van maandelijkse opgaven met betrekking tot – kortweg – voorraden, crediteuren en handelsvorderingen.
2.2. Bestuurder van IRO was [naam], die in de procedure in eerste aanleg mede-gedaagde (naast Columbus) was. Anders dan Columbus, is [naam] niet in hoger beroep gekomen, zodat hij geen partij is in het onderhavige hoger beroep.
Jama werd bestuurd door Columbus, en Columbus werd op haar beurt bestuurd door voornoemde [naam]. Columbus was voorts enig aandeelhouder van IRO en Jama.
Al met al was er sprake van een sterke verwevenheid tussen bedoelde (rechts)personen.
Op 29 november 2011 zijn IRO en Jama in staat van faillissement verklaard.
2.3. Bij gelegenheid van een bespreking op 17 oktober 2011 tussen [naam] en functionarissen van de Bank, heeft [naam] erkend sinds minimaal een jaar bewust onjuiste (“foutieve”) opgaven met betrekking tot de voorraden rijst te hebben gedaan aan de Bank. Columbus gaat er (ook) in hoger beroep van uit dat daarmee sprake was van “fraude” (valsheid in geschrifte, zie onder meer paragrafen 4.11 en 4.17 van de memorie van grieven van Columbus, alsmede het kopje boven paragraaf 4.19 van genoemde memorie).
2.4. Voor zover thans van belang, heeft de rechtbank bij eindvonnis (r.o. 2.1 t/m 2.3) in essentie overwogen dat, waar vast staat dat [naam] bewust de voorraadopgaven van IRO heeft vervalst, [naam] en Columbus als bestuurders van IRO en Jama zelf jegens de Bank aansprakelijk zijn uit hoofde van onrechtmatige daad (valsheid in geschrifte). Een verzoek van Columbus aan de rechtbank om terug te komen van haar in het tussenvonnis neergelegde bindende eindbeslissing dienaangaande, heeft de rechtbank van de hand gewezen. Kort weergegeven hield bedoelde bindende eindbeslissing in (zie r.o. 4.1.4 van het tussenvonnis) dat [naam] als (on)middellijk bestuurder zeggenschap had over zowel IRO als Jama, en dat Jama zelf ook belang had bij de kredietverstrekking door de Bank en heeft geprofiteerd van de frauduleuze handelingen, nu de aankoop van rijst niet los gezien kan worden van de bewerking en verpakking daarvan door Jama, zodat niet kan worden aanvaard dat Jama buiten de frauduleuze opgaven stond omdat zij geen voorraden rijst hield en verder ook niet was betrokken bij de opgaven aan de Bank, zoals Columbus ingang wenst te doen vinden.
Tegen een en ander heeft Columbus
grief 1gericht.
grieven 2 tot en met 5overweegt het hof als volgt. Met deze grieven komt Columbus op tegen de integrale tekst (behoudens die met betrekking tot grief 1) van het vonnis 23 juli 2014 en daarmee keert zij zich tegen alles wat de rechtbank (verder) heeft overwogen en beslist in de bladzijden 3 t/m 14 van dat vonnis. Niet alleen omvat dat mede de stellingen van [naam] (die als reeds overwogen niet in hoger beroep is gekomen) en al hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen en beslist, maar ook de eigen stellingen en weren van Columbus zoals die zijn weergegeven in het beroepen eindvonnis. In zoverre is daarmee sprake van niet-behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grieven.
Met
grief 2stelt Columbus het causale verband aan de orde (door de rechtbank aangeduid als “het bestaan van schade als gevolg van de fraude”).
Grief 3betreft de omvang van de schade en
grief 4heeft betrekking op de overige verweren van Columbus.
Grief 5ten slotte ziet op de conclusie, de reconventie en de beslissing.
Met inachtneming hiervan zal het hof thans aan de hand van de toelichting op de grieven, elk van de onderhavige grieven bespreken.
grief 2(het causale verband tussen de normschending en de schade):
De rechtbank heeft – thans verkort weergegeven en voor zover relevant in het licht van de toelichting op de grief – in het eindvonnis overwogen dat bij financiering op basis van een “borrowing base” in potentie sprake is van schade, indien er wordt gefraudeerd als gevolg waarvan het contractueel overeengekomen evenwicht tussen kredietgebruik en zekerheden afwezig is. Bij akte d.d. 10 juli 2013 heeft de Bank een 32-koloms overzicht overgelegd waarin zij aan de hand van het verschil tussen de onjuiste en de werkelijke voorraadposities, heeft toegelicht tot welk bedrag zij minimaal is benadeeld. Al met al heeft de rechtbank geoordeeld dat in voldoende mate vast staat dat de Bank door de fraude schade heeft geleden (zie het eindvonnis, r.o. 2.8 in fine alsmede r.o. 2.11).
21.Met betrekking totgrief 3(de omvang van de schade):Columbus heeft in het verband van deze grief betoogd – in essentie – dat, zo er al sprake is van schade, deze ten aanzien van haar dient te worden vastgesteld op nihil, dan wel vast te stellen “procentueel in lijn” met de omzet die Jama heeft gegenereerd ten opzichte van IRO.
De interne verdeling van de draagplicht en een eventueel daarmee verband houdend regres tussen de verschillende aansprakelijke (rechts)personen onderling, is in deze procedure niet aan de orde en regardeert de Bank verder niet.
Ook grief 3 kan niet leiden tot vernietiging van de beroepen vonnissen.
28.Met betrekking totgrief 4(de overige verweren van Columbus):Het eerste onderdeel van deze grief (7.2 en 7.3) betreft de vraag of de Bank als pandhoudster van een partij met een bestrijdingsmiddel verontreinigde rijst, jegens Columbus – naar het hof begrijpt in verband met haar plicht tot beperking van de schade – gehouden was tot het op basis van een “lucratief bod” uitleveren van de partij aan L&B Surimix BV.
nemo auditur propriam turpitudinem allegans.
37.Met betrekking totgrief 5(de conclusie, de reconventie en de beslissing):Voor zover Columbus zich in de toelichting op de grief (opnieuw) keert tegen het oordeel dat het gaat om een op haar rustende verplichting tot vergoeding van dezelfde schade als die waarvoor [naam] aansprakelijk is, hetgeen de grondslag vormt voor de op Columbus rustende hoofdelijke aansprakelijkheid, kan daaraan in het licht van het voorgaande thans zonder verdere motivering worden voorbijgegaan.
39.De conclusie op basis van al het voorgaande:Geen van de door Columbus voorgedragen grieven treft doel. Mitsdien zullen de vonnissen waarvan beroep, door het hof worden bekrachtigd.Als de in het ongelijk te stellen partij zal Columbus worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep (1 ½ punt in tarief VIII á € 3.211,00 per punt), in de nakosten en in de wettelijke rente daarover zoals in het dictum nader omschreven (uitvoerbaar bij voorraad),
Beslissing