ECLI:NL:GHDHA:2015:3912

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2015
Publicatiedatum
21 maart 2016
Zaaknummer
200.161.882/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15b lid 1 FwArt. 3 lid 1 FwArt. 288 lid 1 aanhef en onder b FwArt. 292 lid 3 FwArt. 284 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek opheffing faillissement met schuldsaneringsregeling

Appellant stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam dat zijn verzoek tot opheffing van het faillissement onder toepassing van de schuldsaneringsregeling had afgewezen. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.

Het hof onderzocht eerst of appellant een beroep kon doen op artikel 15b lid 1 van de Faillissementswet, dat een bijzondere mogelijkheid biedt om het faillissement op te heffen onder toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het hof oordeelde dat appellant niet aan de voorwaarden van dit artikel voldeed, omdat hij reeds een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling had ingediend dat door de rechtbank niet-ontvankelijk was verklaard en hij daartegen geen hoger beroep had ingesteld.

Daarom verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in zijn verzoek en vernietigde het het bestreden vonnis. Het hof benadrukte dat appellant pas na afwikkeling van het faillissement een nieuw verzoek kan indienen op grond van de reguliere bepalingen van de Faillissementswet.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot opheffing van het faillissement onder toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.161.882/01
Rekestnummer rechtbank : C/10/12/312 F

arrest van 19 februari 2015

inzake

[appellant]

wonende te Rotterdam,
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. T. Harmankaya te Den Haag.

Het geding

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 29 december 2014, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2014, waarbij zijn verzoek strekkende tot opheffing van het op 18 december 2012 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de
schuldsaneringsregeling is afgewezen. [appellant] verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij brief van 20 januari 2015 is nog een aantal producties aan het hof toegezonden.
Bij brief van 15 januari 2015 heeft de curator mr. A van Bunge, advocaat te Rotterdam, de openbare verslagen en bij brief van 9 februari 2015 een reactie op het beroepschrift aan het hof toegezonden.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2015. Aldaar zijn verschenen: [appellant], bijgestaan door mr. Harmankaya voormeld, de heer B.P. den Butter, tolk in de Turkse taal, en mr. K.L. Schellingerhout namens de curator.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft het - kennelijk op artikel 15b lid 1 Fw gebaseerde - verzoek van [appellant] strekkende tot opheffing van het op 18 december 2012 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw).
2.1
De in het beroepschrift opgenomen grieven van [appellant] leggen de zaak in volle omvang aan het hof voor.
2.2.
De curator heeft in zijn brief van 9 februari 2015 aangegeven ten aanzien van het omzettingsverzoek niet af te wijken van het bij brief aan de rechter-commissaris van 18 november 2014 gegeven advies.
2.3
Ter zitting van het hof hebben [appellant] en de curator hun standpunten toegelicht.
3. Alvorens het hof tot inhoudelijke behandeling van het beroepschrift van [appellant] kan overgaan, dient eerst ambtshalve de vraag beantwoord te worden of [appellant] een beroep op artikel 15b lid 1 Fw toekomt. Hiervoor is het volgende van belang. Op grond van artikel 15b lid 1 Fw kan een gefailleerde de rechtbank verzoeken om zijn/haar faillissement op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Een dergelijk verzoek kan blijkens lid 1 echter alleen worden gedaan indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn bedoeld in artikel 3, eerste lid,
geenverzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend of indien het faillissement is uitgesproken op eigen aangifte van de schuldenaar. In onderhavig geval doet geen van de in lid 1 genoemde situaties zich voor. Immers, [appellant] heeft juist
weleen verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid Fw tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling ingediend. [appellant] is in dit verzoek door de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 18 december 2012 niet-ontvankelijk verklaard. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK4947) is het oordeel van de rechtbank dat de verzoeker niet-ontvankelijk is, aan te merken als een afwijzing van het verzoek, waartegen op grond van artikel 292 lid 3 Fw Pro hoger beroep openstaat. [appellant] heeft echter indertijd geen hoger beroep tegen het vonnis van 18 december 2012 ingesteld. [appellant] is vervolgens eveneens op 18 december 2012 door voornoemde rechtbank in staat faillissement verklaard.
Met inachtneming van het voorgaande komt aan [appellant] geen beroep op artikel 15b lid 1 Fw toe. [appellant] dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek. Om die reden moet het in het beroepschrift gestelde buiten behandeling blijven.
4. Gelet op het voorgaande had de rechtbank niet tot inhoudelijke behandeling van het verzoek mogen overgaan. Het bestreden vonnis dient dan ook te worden vernietigd en [appellant] dient alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn inleidende verzoek. Daargelaten de inhoudelijke beoordeling en beslissing van een nieuw verzoek tot toelating zal [appellant] pas ontvangen kunnen worden in een dergelijk verzoek op de voet van artikel 284 en Pro 285 Fw nadat het faillissement is afgewikkeld.

Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2014;
- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. Dijk, J.J.I. Verburg en J.A. van Kempen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2015 in aanwezigheid van de griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest getekend door mr. J.J.I. Verburg.