ECLI:NL:GHDHA:2016:112
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken gronden bij verdeling inboedel
De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag inzake de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, met name de inboedel. Hij verzocht vernietiging van de beschikking en een nieuwe verdeling van de inboedel bij helfte. Het hof stelde vast dat het beroepschrift niet voldeed aan de vereisten van duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust, ondanks een eerdere opdracht tot verbetering.
Het beroepschrift bevatte onvoldoende concrete gronden en een onduidelijke omschrijving van de te verdelen inboedel, waardoor noch het hof noch de wederpartij konden vaststellen wat precies werd gevorderd. Aanvullende stukken die later werden ingediend, waren niet relevant voor het verzoek en konden niet als gronden worden aangemerkt. De man stelde ook geen uitzonderlijke omstandigheden die het ontbreken van gronden konden rechtvaardigen.
Het hof verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Daarnaast oordeelde het hof dat de man de vrouw onnodig in hoger beroep had betrokken, waardoor het redelijk was hem te veroordelen in de proceskosten van de vrouw, waaronder griffierecht en eigen bijdrage. Het hof merkte op dat het de raadsman van de man zou sieren deze kosten uit eigen middelen te dragen gezien de gang van zaken.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de man niet-ontvankelijk en veroordeelt hem in de proceskosten van de vrouw.