Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest
De beoordeling van het hoger beroep
inleiding
nietdat de binnenschipper van de [Y] , die het hoog in het water gelegen zeeschip [X] zag naderen, niets behoefde te doen en vaart en koers kon houden tot het moment (16:45:53 uur) waarop de loods er (na vergeefse pogingen eindelijk) in zou slagen opnieuw marifooncontact met hem te krijgen, om dan vervolgens afwijzend te reageren op diens verzoek om achterlangs, dus stuurboord op stuurboord te passeren. Zoals de rechtbank - terecht en door [geintimeerde c.s.] niet gemotiveerd weersproken - overwoog, behoorde op beide schepen te worden onderkend dat de koersen elkaar in het hoofdwater zouden kunnen kruisen en dat daarbij dan een gevaar voor aanvaring bestond. Die situatie legde op beide schepen gelijkelijk de plicht om tijdig alle maatregelen te nemen die hadden kunnen bijdragen aan het voorkomen van een aanvaring. Daar heeft het - ook - op de [Y] aan geschort; hoewel het ook haar verantwoordelijkheid was om te zorgen voor een veilige onderlinge passeerafstand, heeft zij, in plaats daarvan, op basis van een laattijdige, ondeugdelijke afspraak gekozen voor een riskante passeermanoeuvre waarbij die veilige onderlinge afstand verre van gewaarborgd was, te weten door voor de [X] langs te varen, zonder zich er tevoren goed van te vergewissen dat de [X] haar daarbij vrij zou varen. Terzijde wordt in dit verband uit een in het proces-verbaal van het KLPD-waterpolitie opgenomen verklaring van de tweede kapitein van een ander ter plaatse varend motorschip geciteerd: ‘[..] Als de [Y] op tijd gereageerd had, had ze zo achter de zeevaart langs haar weg kunnen vervolgen. Ja zelfs zonder oponthoud! De [X] zat namelijk verder op de kruising [..] dan de [Y] . Dus waarom heeft de [Y] niet eerder aangegeven dat ze te weinig ruimte kreeg van de [X] .’
nieteenduidig interpreteren als mededeling dat de [X] vol achteruit sloeg of zelfs al stil lag en daarom (gelijk ook maar) een veilige voorlangs-passage voorstelde. Er blijkt ook niet dat de [Y] het antwoord van de loods wel in die zin heeft opgevat. De reactie vanaf dat schip op laatstbedoeld antwoord luidde immers (16:46:06): ‘Dan moet ik wel een hele rare slalom gaan maken.’ Die reactie gaat of lijkt nog steeds te gaan over de door de loods verzochte achterlangs-passage, waarvan de partijdeskundige [naam ] op de comparitie in de eerste aanleg zei: ‘De schipper van de [Y] zag naar mijn idee de noodzaak van het maken van zo’n kronkel niet in.’ Ook het ‘dus eh effe kijken’, waarmee de loods zijn antwoord van 16:46:01 uur besloot, vormde niet direct een verzoek of aansporing om (dan maar) voorlangs te komen.
voorlangs-passeerafspraak van 16:46:14 uur vormde dat de [X] al gestopt was, vol achteruit sloeg, of dat krachtens die afspraak meteen na het ‘okay’ van 16:46:14 uur zou doen. Anders dan [geintimeerde c.s.] meent volgt dit onvoldoende uit de bovenbedoelde marifoonconversatie (die werd gevoerd naar aanleiding van het verzoek om een achterlangs-passage) en overigens evenmin uit de opmerking van de schipper van de [Y] om 16:48:22 uur: ‘Je zou toch achteruitdraaien, joh’; daar blijkt niet uit dat de [X] reeds tijdens de passeerafspraak voluit achteruit was geslagen/sloeg, of dit direct daarna zou doen. Zoals hiervoor onder 4 vermeld hield de passeerafspraak niet meer in dan dat de loods van de [X] ermee instemde dat de [Y] door snelheid te vermeerderen voor de [X] zou oversteken, terwijl de [X] haar snelheid verminderde, wat de [X] overigens ook in toenemende mate heeft gedaan (van 17,8 km tot 10,7 km/uur ten tijde van de aanvaring die om 16:48:09 uur plaatsvond). Die laattijdig gemaakte afspraak was in dit geval ontoereikend om er voor te zorgen dat de schepen elkaar zouden vrijvaren / op veilige afstand zouden passeren. Haar andersluidende standpunt, dat de afspraak daarin wel voorzag, doordat deze tevens als (essentieel) onderdeel het afgestopt zijn / direct vol achteruitslaan omvatte, heeft [geintimeerde c.s.] onvoldoende onderbouwd. Of bij een afgesproken vol achteruitslaan direct na 16:46:15 uur, in plaats van (nu) - na eerst nog een ‘stop engine’, ‘slow astern’ en ‘half astern’ - om 16:47:22 uur, de aanvaring (nog net) was voorkomen, behoeft daarom geen nader onderzoek. Toegevoegd wordt nog, ten overvloede, dat zowel de schipper als de stuurman van de [Y] hebben verklaard dat zij niet hebben gezien dat de [X] afstopte/uitweek. Ook op basis van hun waarneming hebben zij er derhalve niet op kunnen vertrouwen dat een veilige passage voldoende was gewaarborgd.
The Convention as amended by this Protocol shall apply only to claims arising out of occurences which take place after the entry into force for each State of this Protocol’. Dit betekent dat in het onderhavige geval het LLMC nog van toepassing is. De wijzigingen van het Protocol daarop zijn voor de onderhavige zaak ook overigens niet relevant.
1. Shipowners and salvors, as hereinafter defined, may limit their liability in accordance with the rules of this Convention for claims set out in Article 2.
2. The term ‘shipowner’ shall mean the owner [..] of a seagoing ship.
[..]
3. Salvor shell mean any person rendering services in direct connexion with salvage operations. Salvage operations shall also include operations referred to in Article 2, paragraph 1(d), (e) and (f).’
Art.2
1. Subject to Articles 3 and 4 the following claims, whatever the basis of liability may be, shall be subject to limitation of liability:
[..]
[..]
2. Claims set out in paragraph 1 shall be subject to limitation of liability even if brought by way of recourse or for indemnity under a contract of otherwise. However, claims set out under paragraph 1(d), (e) and (f) shall not be subject to limitation of liability to the extent that they relate to remuneration under a contract with the person liable.
‘the rules of this Convention shall not apply to claims for salvage’) uitsluitend ziet op de rechtstreekse vordering van de hulpverlener op de reder van het schip waaraan hulp is verleend (of de eigenaar van de andere zaken waarop de hulpverlening betrekking had), en dus onverlet laat de beperkingsmogelijkheid (van art. 2 lid Pro 1.a) ten aanzien van de regresvordering van degene die het hulploon betaalde op de aansprakelijke partij. Voor dit laatste wordt veelal verwezen naar de uitspraak van de Queen’s Bench Division (Admirality Court) van 24 september 1991 inzake ‘The Breydon Merchant’ [1992] 1 Lloyd’s Rep. 373.
claims for salvage’), ook niet voor zover de hulpverlener handelingen heeft verricht als bedoeld onder art. 2 lid Pro 1.d, doch (ii) dat die uitsluiting niet geldt ten aanzien van de regresvordering met betrekking tot die handelingen (
‘claims in respect of’), waarvoor dus de beperking van art. 2 lid Pro 1.d LLMC kan worden ingeroepen, maar (iii) dit laatste weer niet indien ten aanzien van die beperkingsmogelijkheid gebruik is gemaakt van het voorbehoud van art. 18 LLMC Pro. Daarom kan hier te lande alleen een beperking worden ingeroepen door het stellen van een wrakkenfonds.
‘[..] to make claims for wreck removal [..] subject to limitation’, maar eerder op blz. 60 onder nr. 22 wordt gesproken over ‘
claims [..] such as wreck removal [..].’Wat daar van zij, in elk geval volgt uit de travaux préparatoires niet dat de in de verdragstekst gebezigde termen/bewoordingen, bezien in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag, anders dan overeenkomstig hun gewone betekenis moeten worden begrepen. Wat de verdragstekst betreft kan verder worden vastgesteld dat zij ruimer is geformuleerd dan die van het voorgaande Beperkingsverdrag 1957 (Brussel 10 oktober 1957, Trb. 1958, 46); art. 1, lid 1 aanhef en onder (c) van dat verdrag beperkte de werking tot een uit de wet voortvloeiende verplichting of aansprakelijkheid met betrekking tot het verwijderen van wrakken: ‘
The owner of a sea-going ship may limit his liability [..] in respect of claims arising from any of the following occurrences [..] (c) Any obligation or liability imposed by any law relating to removal of wreck and arising from or in connection with the raising, removal or destruction of any ship which is sunk, stranded or abandoned (including anything which may be on board of such ship) [..]’. De huidige verdragstekst spreekt bovendien niet over
wreck removal, maar omschrijft de situatie waarin een schip zich bevindt - ‘sunck, wrecked, stranded or abandoned’, in art. 8:752 lid Pro 1.d BW vertaald als: ‘gezonken, schipbreuk heeft geleden, gestrand of verlaten is’ - en somt een aantal handelingen op die met betrekking tot een schip in die positie worden verricht: ‘raising, removal, destruction or the rendering harmless’, in art. 8:752 lid Pro 1.d BW vertaald als: ‘vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken’. Voor het stellen van een (aanvullende, niet in het verdrag zelf opgenomen) eis dat het schip, behalve dat het gezonken is, schipbreuk heeft geleden, gestrand of verlaten is, bovendien in een zodanige staat/positie verkeert ‘dat de eigenaar het niet de moeite waard vindt om daar iets aan te doen’ bestaat, anders dan Eitzen meent, geen goede grond. Niet alleen is dit criterium te subjectief, het verdraagt zich bovendien slecht met het gegeven dat de eigenaar het opruimen van het gezonken/gestrande schip ook zelf ter hand moet kunnen nemen en daartoe dan handelingen verricht of laat verrichten als in de verdragsbepaling bedoeld. Terecht overwoog de rechtbank dan ook dat geen (aanvullend) vereiste is dat het schip geen economische (rest)waarde meer heeft en evenmin dat reparatie niet meer economische verantwoord zou zijn, dat het schip niet opnieuw in de vaart zou kunnen komen en niet langer meer zou kunnen worden geëxploiteerd of dat de techniek van het schip niet meer mag functioneren. Dergelijk vereisten, zo voegde de rechtbank eraan toe, gelden evenmin voor het in Nederland onder de Wrakkenwet plaatsen van een schip. Beslissend is of het gaat om een vordering met betrekking tot het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van een schip dat zich in een in de verdragstekst genoemde positie bevindt. Daaromtrent is door de rechtbank, in hoger beroep niet ter discussie gesteld, overwogen (rov. 5.17/5.24 - 5.26): (i) dat de [Y] , met daarin een groot gat van ca. 3 bij 4 meter, zich in een deels gezonken en gestrande positie bevond; (ii) dat de werkzaamheden, waarop de regresvordering betrekking heeft, ten doel hadden om het schip weer vlot te brengen en van haar strandingsplaats te verwijderen, alsook om de lading die zich aan boord bevond in veiligheid te brengen; (iii) dat door die werkzaamheden tevens voorkomen werd dat het schip en de lading gevaar zouden kunnen gaan opleveren voor de scheepvaart of schade zouden kunnen toebrengen aan andere zaken of het milieu; (iv) dat, indien [geintimeerde c.s.] zelf geen opdracht tot de bedoelde werkzaamheden had gegeven, de Staat het schip onder de Wrakkenwet zou hebben geplaatst en deze werkzaamheden zou hebben verricht of daartoe opdracht zou hebben gegeven en (v) dat niet onaannemelijk is dat de [Y] met haar lading containers bij gebreke aan maatregelen een gevaar zou gaan opleveren voor de scheepvaart ter plaatse of voor zaken als bruggen en havens dan wel voor het milieu, waardoor de overheid zich genoopt zou zien tot het (laten) uitvoeren van werkzaamheden om schip en lading te verwijderen. Dit samenstel aan gegevens maakt dat de conclusie geen andere kan zijn dan dat de hier aan de orde zijnde vordering van [geintimeerde c.s.] past binnen het raamwerk van zowel art. 2 lid Pro 1.d LLMC, als art. 8:752 lid Pro 1.d BW. Hier te lande moet een eventueel beperkingsberoep ten aanzien van deze vordering daarom via een wrakkenfonds lopen. Het principale beroep kan dus evenmin tot vernietiging van de bestreden beslissing leiden.